Hans Langbroek, raadslid voor Het Enkhuizer Alternatief

   

In een tijd van universeel bedrog is het spreken van de waarheid een revolutionaire daad (George Orwell)

Zondagochtend

(18 maart 2007)

 

Zondagochtend… Al eeuwenlang een tijd die tussen bestaan en niet-bestaan balanceert.

Mijn kindertijd speelde zich af in de “Roaring Sixties”. Dat “Roaring” was voor kleine kinderen als ik in die tijd, levend in een Oud-IJmuidense wijk vol 50-jaren burgerzin, iets heel anders dan voor de hippiegeneratie en de rock&rollkuiven die vol revolutionair bravour tegen het oude “establishment” vochten.

Wij kindertjes werden op zondagochtend met een groot stuk zeep op de eettafel blinkend schoongepoetst, en weer afgespoeld met water uit een grote vertinde teil. Douchen was destijds niet bepaald gemeengoed, bijna niemand had dat nog. Met die harde boenbeurt begon dan wat voor ons het roaren, het brullen, was. Grote gillen omdat je moeders vinger, uitvergroot door een dikke washand, hard je oorschelpen mishandelde. Diezelfde harde behandeling gold je gezicht, waardoor elke zondag weer een pulk zeep zich door je dichtgeknepen oogleden perste en brandend je oogbolletjes martelde. Brullen!

Daarna de afdroogbeurt… In een tijd zonder wasverzachters en droogtrommels geen sinecure voor een kleuter. Een hard aan de buitenwaslijn gedroogde handdoek schuurde je snerpend droog, en op sommige plekken van het lichaam had dat wederom grote “roarings” ten gevolge. Als ik wat dat betreft nog denk, en met mij vermoedelijk nog vele jongetjes uit die tijd, aan de moederuitspraak: “Ook bij je velletje moet het schoon!”, dan schiet ik nog steeds in een soort verstijfde, verschrikte stasis!

Als brave burgeressen kleedden de destijdse moeders na zo’n schoonschuurbeurt hun kindertjes op z’n zondags aan. De roodgeschraapte lichaampjes van de dreumessen die we waren kregen de nette textielvormen van die tijd te verduren. Stijfgestreken kleine overhemdjes, een wit elastiekje met daaraan een strikje strak om het kleuternekje, lange rare sokken met een donkergroene knoedel aan de zijkanten hangend: volledig visueel mishandeld liepen we er als zondagse clowns bij!

Daarna kwamen er drie opties voor zo’n dag des Heren. Naar opa en oma toe, naar de andere opa en oma toe, of bij jou thuis op visite komende tantes en ooms met als aanhang halfbekende neefjes en nichtjes. Als kind was het altijd weer een verrassing wat het werd, maar de volwassenen wisten altijd op mysterieuze wijze wat er komen ging. Blijkbaar liep de samenleving in die tijd wat geolieder dan de hedendaagse variant, want niemand had nog apparaten als telefoons, mobieltjes en internet. Iedereen wist wat er komen ging, de gangen liepen in de orde van die tijd nog langs vaste stramienen.

Als we naar een opa en oma gingen kreeg je als kleuter in die tijd eerst je zondagse jasje aan. Een stijf, onbuigzaam, viltachtig ding waarin je de weg naar de grootouders met je armpjes onbuigbaar zijwaarts van het lichaam gericht aflegde. Met op je hoofdje een half bolletje met een smal klepje, dat was je zondagse pet. ’s Winters kon je twee flapjes naar buiten slaan om geen koude oren te krijgen.

Op weg naar één der opa’s en oma’s zag je zondagse mensen lopen op straat, netjes aangekleed. Eén soort mensen dat al lopende met een groot, donkergekaft boek onder de arm, recht voor zich uit staarde, niemand groette en voor kinderen een soort duistere macht verbeeldde. Je was er bang voor. En een soort mensen dat je vriendelijk groette, een praatje met je ouders maakte, en jou een pepermuntje gaf. In die tijd een lekkernij, de wereld was in de kneuterige armoede van toentertijd nog niet vergeven van suikerbevattende, giftige lekkerijen. Alles wat je kreeg was speciaal, een bijzondere gebeurtenis voor de smaakpapilletjes van een kind.

En zo kan ik doorgaan over zondagochtenden. Iedereen die wat ouder begint te worden, of het al is, herkent dat. De rest van de zondag is meer hoe het bij ons in de families ging. Bij de éne opa en oma gingen de gesprekken doorgaans over Indië, Nieuw-Guinea, Papoea’s en baboes. M’n vader en het gezin waar hij uitkwam hebben in Nederlands-Indië en Nieuw-Guinea gewoond. Als kind vond ik die verhalen iets schitterends natuurlijk. Je hoorde een totaal andere wereld verwoorden, andere gebeurtenissen speelden zich in je fantasie af, en je zag het in je hoofd zich allemaal afdraaien als een soort film! Daar heb ik veel herinneringen aan.

Bij de andere opa en oma hoorde ik meer aangetrouwde tantes die zich met familie-intriges bezig hielden. Als kind begreep ik al wat ze deden, en ik had toen al een groot wantrouwen naar die vrouwen toe. Maar ook verhalen over tante Irmgard uit Duitsland, die heel aardig was. Ik heb haar ook nog gekend, ze leek precies op m’n oma. Verhalen over de zeevaart, over IJmuiden, over andere landen waar ooms geweest waren met schepen, over Hoogovens, en eigenlijk weer heel anders allemaal. De oma bij wie dat thuis was zei Hanschje tegen me, geen Hans. Ze was een bijzonder leuke oma, en ik was haar eerste kleinkind.

En zo denk ik op een zondag aan de zondagse ochtenden uit het verleden, het soort zondagse ochtenden zoals ze niet meer ervaren worden in ons land.