Hans Langbroek, raadslid voor Het Enkhuizer Alternatief

   

In een tijd van universeel bedrog is het spreken van de waarheid een revolutionaire daad (George Orwell)

Maandag 30-7 t/m zondag 26-8-2012

 

Vroeger, voor zover vroeger ook vroeger te noemen is, las ik heel veel boeken. Naast stappen, werken, gezinnen opbouwen, leuke dingen doen, muziek draaien en bespreken met kameraden, echtscheiden, mensen verliezen, alimentatie betalen, en al dat soort zaken dat in een leven thuis hoort, las ik alles dat los en vast zat.

De boeken die ik las waren non-fictie en fictie, literatuur en bullshit, in enorme hoeveelheden. Een boek waar ik in dook beleefde ik ook daadwerkelijk, ik zat dan echt in dat boek. Het waren vanaf m’n reeds jonge jaren heel leuke leestijden in dit opzicht.

 

Op een dag, korte tijd nadat Inge overleden was, donderde ik honderden boeken weg. Misschien wel duizenden boeken, want honderden heb ik er sowieso al weggegeven. Een veelvoud daarvan heb ik in de papiercontainer van het grofvuilinzamelpunt gegooid. Boeken in decennia bij elkaar gespaard, een aantal speciaal naar op zoek geweest: alles in één avond en ochtend verdwenen.

Ik had ruimte nodig. Ruimte voor opslag van de inrichting van een compleet huis dat ik als erfenis voor Claudia van haar moeder beschouwde. Die benodigde ruimte werd ingenomen door boeken, dozen vol boeken en papieren belevenissen.

 

Afgelopen weken keek ik met nieuw verworven ogen in kasten en op zolder. De spullen die ik beschouwde als tot een erfenis behorend, zijn grotendeels tot hun ware proporties terug gekeerd. Ze zijn door de tijd geproportionaliseerd tot een berg troep welke ik moet doorzoeken naar wat werkelijk waard is voor Claudia bewaard te blijven. De rest kan de bestemming van de dozen vol boeken volgen: het grofvuilinzamelpunt.

 

Zo verandert de interpretatie die je geest van zaken maakt door de jaren heen. Illusies verdwijnen, realiteiten verdwijnen mee. Nieuwe werkelijkheden ontstaan, en daarmee ook nieuwe illusies en dromen.

 

Jaren terug las ik eens een uitspraak van Arthur Schopenhauer. Aan die uitspraak moest ik denken nadat Inge gestorven was, en ik te maken kreeg met een kind dat geen moeder meer had. Ik moest de uitspraak even zoeken net op internet, het boek waar ik het in gelezen had is nu namelijk alweer gereïncarneerd tot een nieuw boek of een kartonnen doos…

 

“Geheel zichzelf zijn mag men slechts, zolang men alleen is; wie dus niet van de eenzaamheid houdt, houdt ook niet van de vrijheid, want slechts wanneer men alleen is, is men vrij.”

 

Deze uitspraak begrijp ik, en hij geldt deels meervoudig. Het gaat over afhankelijkheid van en gehechtheid aan mensen, materieel, hoedanigheid, status of situaties. Er klinkt Zenboeddhisme in door. Het kunnen loslaten en onthechten, zonder dat dit moet.

Nu, een paar jaar later, ben ik onthecht en onafhankelijk. Buiten de normale menselijke afhankelijkheden natuurlijk die je in een samenleving als de onze hebt: bakkers, automonteurs, cv-ketelinstallateurs, tandartsen, kledingzaken etc. We leven tenslotte in een samenleving, en niet op een onbewoond eiland!

 

Onthecht en onafhankelijk… Maar van wat dan wel? Ik vraag me af wat ik nu precies geleerd heb. Dat ik alleen kan zijn? Ja, dat kan ik. Vind ik dit leuk? Bij tijd en wijle eigenlijk best wel ja. Is dit een “normaal” iets? Geen idee.

De jaren voordat Inge in mijn leven kwam leefde ik een totaal-extravert leven in alle opzichten. Ook tijdens haar aanwezigheid in mijn leven nog.

Kneiterhard werken, relaties, festivals, uitgaan, veel mensen om me heen, overal heengaan, en volledig bezig met politiek en stadsbestuur: een ADHD-look-alike leven pur sang! Extravertie zoals extravertie bedoeld is.

Nu is de bedaardheid nedergedaald. Als reactie op een enorm emotionele gebeurtenis in het leven, als reactie op de plotselinge verantwoordelijkheid voor een kind, en als reactie op de enorme gebeurtenis in dat kind haar leven. Het levert bedaardheid op, bedachtzaamheid, reflectie op jaren, beschouwing van zaken, wegdonderen van materieel dat jaren vertegenwoordigt, en de les dat alleen zijn en leven heel goed mogelijk is voor iemand als ik.

Dat onafhankelijkheid daadwerkelijk bestaat.

 

De vraag is: en dan? Alleen zijn, om de uitspraak van iemand als Schopenhauer? Hij is maar wie hij is, ondanks z’n grootte ten opzichte van mij. Het is een inzicht, van hem. Ook van mij, maar zeer zeker van hem.

Is vrij zijn om het vrij zijn daadwerkelijk vrij zijn? Of is de keuze van onvrij zijn in vrijheid juist vrij zijn? Miljoenen hebben hier hun gedachten al over laten gaan, allemaal met verschillende en gelijkluidende conclusies en non-conclusies.

 

Om het gewoon eens in mijn eigen arbeiderstaal te zeggen: het kan ook zijn dat je na de schafttijd gewoon weer eens te werk moet.