Hans Langbroek,raadslid voor Het Enkhuizer Alternatief

   

In een tijd van universeel bedrog is het spreken van de waarheid een revolutionaire daad (George Orwell)

Vogeltjes

(31 oktober 2009)

 

Elke ochtend ga ik s ochtends om 7 uur de deur uit, en loop naar mijn werk op Schepenwijk. Op ieder looptochtje kom ik daarbij dezelfde personages tegen. De Vrouw met de Zwarte Hond, de Fietsende Man met Baard, de Twee Meisjes die naar School Fietsen, de Vrouw met Fiets die de weg oversteekt van Schepenwijk naar het Fietspad, en zo nog meer medemensen die op weg zijn naar de strijd voor het dagelijkse bestaan. Het heeft wel iets, heel apart.

Voor die mensen ben ik die kerel die je altijd ziet lopen met die rugtas om en dat petje op.

.

Ook kom ik elke ochtend op dezelfde plaats in de Westerstraat nu al een tijdje dezelfde merel tegen die op de grond zit. Het is een jonge merel, dit jaar geboren. Als ik nader gaat zn kopje een beetje schuin, kijkt hij mij met een lodderige ochtendblik aan, en duikt dan weer terug in de veren. Wegvliegen doet het diertje nooit.

Iets verderop kom ik, totaal vergelijkbaar met de merelsituatie, de bijna-dagelijkse kraai tegen. Het zelfde verhaal: de vogel zit op de grond, wat ongewoon is voor slapende kraaien. Hij kijkt me als ik langsloop met een schuin kraaienkopje en intelligente beoordelende blik aan, en richt daarna de blik weer in wezenloze ochtendleegte richting de straat. Maar wegvliegen doet hij niet.

 

De vogels zijn duidelijk niet bang voor me. Ook zij wennen blijkbaar aan het dagelijkse ritueel van die langsmarcherende tweebenige giganticus die ongevaarlijk snel weer voorbij is.

 

Deze kleine dagelijkse gang van zaken, en het berichtje laatst dat roeken, die tot de kraaiachtigen behoren, intelligenter zijn in probleemoplossing, situatiebegrip en begrijpen van wat natuurwetten doen dan mensapen, doen me af en toe zomaar ineens aan vroeger denken.

Heel lang geleden, in de tijd dat Zwarte Piet nog onbetwist zwart was, de Kerstman iets uit ver-landige verhalen was, en dat Coca Cola nog een tractatie was die je alleen op verjaardagen kreeg, had ik een kauwtje.

Het diertje had ik door omstandigheden gekregen als kuiken met pennen op het lichaam die nog niet eens veren waren. Door goede zorg, veel aandacht, en kinderliefde die ondersteund werd door vaderdeskundigheid, werd het kauwtje een uiterst tamme, slimme en trouwe vriend met veel humor.

Niet zo lang geleden heb ik gelezen dat ook kauwtjes behoorlijk intelligent zijn. Ze tellen tot vijf, en vertellen soortgenoten in detail wr iets te bikken valt en wt dat te bikken is. Ze communiceren, en zijn onderling sociaal begaafd. Door dit soort steeds vaker opduikende berichten wordt het duidelijk dat het vermeende alleenrecht op intelligentie dat de mens dacht te mogen hebben, slechts een vorm van arrogante onwetendheid was. Bij een gereed aantal mensen is was nog steeds is wat dit betreft.

Mensen zijn niet de enigen op deze planeet die de potentie hebben tot intelligentie, en zelfs niet de enigen die intelligent zijn. Het is zelfs bijzonder onintelligent om te denken dat we de enigen zijn, de soort onintelligentie en domheid waar correct denken in welke vorm dan ook uiteindelijk altijd naar leidt. Het gaat om waarheid, niet om gewenste waarheid.

 

Mijn kauwtje was ook intelligent. Hij heette Gerrit, een naam zoals kraaien krijgen. Gerrit onderzocht alles, was overal, kwam graag spelen met de Langbroekbroeders, reageerde goed op zijn naam en hoorde er gewoon net zo bij als kwispelende hond, kruipende schildpad en minzame kat.

In die tijd woonde er verderop een gezin met een Engelse moeder en een Nederlandse vader. Er waren drie zoontjes. En van die zoontjes daar speelde ik wel mee. Dat jongetje had bijzondere belangstelling voor Gerrit. Hij keek altijd naar Gerrit als hij bij ons achter speelde, en kon zn blik bijna niet afwenden. Dat registreerde ik zelfs als jongetje van slechts een jaar of negen in de nog onschuldige jaren 60.

 

Op een dag was Gerrit s ochtends weg. Omdat we in die tijd in Nederland nog niet leden aan overdreven angsten om vals te beschuldigen, besloot ik direct dat het Engelse jongetje de vogel gestolen moest hebben. Ik liep naar het huis toe waar hij woonde, en belde aan. De Engelse moeder deed open. Op mijn melding dat ik Gerrit kwam halen vroeg ze krijsend waar ik het lef vandaan haalde om te denken dat Gerrit bij hen was. Ik liep onder haar arm door, ging verder de keuken in, en zag Gerrit in de tuin op een tafel staan. Hij zat in een klein kooitje, droevig in elkaar gedoken.

Gerrit was vijf minuten later weer thuis, in grote blijdschap van vogel en kind. Hoe ik over dat gezin dacht zal ik hier niet verhalen, maar mals was dat niet. De andere ochtend was Gerrit weg, en het gezin verhuisd. Het huis was leeg, en dat ze zouden gaan verhuizen wist ik niet.

 

Dat was het verhaal van Gerrit, een droef verhaal.