Hans Langbroek, raadslid voor Het Enkhuizer Alternatief

   

In een tijd van universeel bedrog is het spreken van de waarheid een revolutionaire daad (George Orwell)

Tot morgen

(8 juni 2008)

 

Het was mooi weer, en het meisje trippelde met haar nieuwe schoentjes en nieuwe jurkje aan blij naar de zandbak verderop in de straat toe. Daar speelde een jongetje dat ze nog niet kende. Het jongetje keek haar aan, en zei: “Hoi”. “Dag jongetje”, zei ze terug, klom op de rand van de zandbak en ging daar zitten. Ze liet haar beentjes wiebelen.

 

“Hoe heet jij?”, vroeg het jongetje. “Oh, ik heet dochter Langbroek”, zei het meisje. “En hoe heet jij?” “Oh, euh, ik heet Bikkel!” Ze keken elkaar aan. “Zullen we een kasteel bouwen?”, vroeg het jongetje, “Dan kunnen we er daarna oorlog mee voeren!” “Nou, een kasteel bouwen lijkt me wel leuk”, zei het meisje.

 

Het meisje klom van de rand van de zandbak af, en samen togen ze aan het werk. Grote happen zand werden voor de kasteelmuur bij elkaar geschept. “Het wordt zo wel erg vierkant”, zei het meisje: “Ik vind rond veel mooier”. “Maar het moet vierkant”, zei het jongetje: “Anders kunnen er geen torens op de hoeken staan!” “Maar ik vind rond toch veel mooier”, zei het meisje. Het jongetje dacht na. “Okee, dan maken we hem rond. Dan bouwen we een toren in het midden binnen de ronde muur.” Het meisje keek tevreden, dat was wat ze wilde.

 

“We moeten de buitenkant van de muur sterker maken met steunbalken”, zei het jongetje: “Anders stort de muur in bij een aanval van de vijand!” Ze gingen samen op zoek naar takjes die steunbalken konden verbeelden. De takjes werden horizontaal en verticaal om de muur heen gezet, en het werd een sterk uitziende kasteelmuur. De vijand zou die niet zomaar stuk kunnen maken!

“Ik vind de binnenkant van het kasteel niet mooi”, zei het meisje: “Daar moeten blaadjes tegen de muur geplakt worden, net als behang.” Het jongetjes dacht weer na. “Wat een onzin!”, zei hij: “Kastelen zijn niet mooi van binnen!” Het meisje draaide hem de rug toe, ging zitten, en zei: “Nou, dan vind ik er niets meer aan!”

 

Zo zaten ze stil met hun ruggen naar elkaar toe. Het ronde kasteel  met de toren in het midden lag daar afwachtend de kinderen te observeren, benieuwd hoe het eruit zou zien als het af was.

Het jongetje keek steels vanuit z’n rechterooghoek naar achteren. Het meisje keek steels vanuit haar linkerooghoek naar achteren.

“Kastelen voeren niet altijd oorlog”, zei het jongetje. Het meisje zei niets. “Misschien is het wel leuk om behang te hebben voor als het geen oorlog is.” Stilte. “Zullen we die groene blaadjes van die boom daar gebruiken om te behangen?” “Okee”, zei het meisje: “En die rode er tussendoor van die boom daar, en een paar madeliefjes.” “Okee, dat is mooi”, zei het jongetje. Samen behangden ze het kasteel mooi rood en groen met een paar madeliefjes aan de binnenkant van de muur. Het werd een mooi kasteel.

 

“Ik denk dat ik naar huis moet om te eten”, zei het meisje. “Oh ja, ik ook wel denk ik”, zei het jongetje: “Ben je hier morgen ook weer? Dan kunnen we oorlog voeren met het kasteel!” “Ik denk dat ik er morgen ook wel weer ben misschien”, zei het meisje: “Dan kunnen we verder met het kasteel. Er moeten nog winkels omheen gebouwd worden, anders kunnen de mensen in het kasteel niets kopen om te eten en zich aan te kleden.” “O ja”, zei het jongetje: “Dat is waar.”

“Nou, tot morgen dan maar”, zei het jongetje. “Ik denk het wel, tot morgen”, zei het meisje: “We hebben leuk gespeeld.”