Hans Langbroek, raadslid voor Het Enkhuizer Alternatief

   

In een tijd van universeel bedrog is het spreken van de waarheid een revolutionaire daad (George Orwell)

Natte fietser en de mens

(28 oktober 2009)

 

Afgelopen maandag stapte ik zoals gewoonlijk om een uur of  7 ’s ochtends de deur uit om naar m’n werk op Schepenwijk te lopen. Er viel een lekkere echte herfstregen, welke was gelardeerd met een bijpassend najaarswindje. De boel was in harmonie, en het rook heerlijk buiten.

Bij het stuk fietspad langs de Provinciale Weg tussen het Westeinde en Schepenwijk aangekomen stak ik m’n grote rode paraplu op. Dat specifieke stukje fietspad daar is een met magie begiftigd stukje fietspad. Als je oog en geest eenmaal getraind zijn om die magie te zien en te voelen, dan loop je daar geweldig zo ’s ochtends vroeg door de seizoenen heen.

 

Maandag liep ik daar onder het kabouterhuisje van mijn grote rode paraplu, de regen rikketikkend op die plu in een maat van natuur en aardse willekeur. Ineens klonk er achter me een stem, een jonge stem.

“Meneer, mag ik u iets vragen?”, vroeg een natte jongen op een fiets. “Ja hoor”, zei ik: “Zeg het maar.”

“Ik zie u hier altijd en immer lopen meneer, door weer en wind. Ik vraag me nu al tijden af waarom u dat doet.”

Nadenkend keek ik hem aan. Ik zou hem kunnen vertellen over De Poort, of over de kleuren die door de seizoenen heen dit magisch stukje fietspad betoverden als je oog het kon zien.

Ik zou hem kunnen vertellen over de kleurige en scheppende kameraad Herst, over de ijzige maar liefdevolle en warme tante Winter, over de broze frêle zuster Lente, of over de bruisende en zinderende nicht Zomer.

Over de vliegjes en beestjes die je langs dit fietspad ziet zou ik hem kunnen vertellen, of over de glinsterende fijnmazige structuur van levenskracht die je om je heen zag groeien en uitdijen van voorjaar naar zomer toe. Over de verdichtende en terugtrekkende levenscyclus in herfst en winter, als het leven rust nam en toch alomaanwezig was. Maar dat vertelde ik hem allemaal niet.

De jongen zou dat nog niet begrijpen, en het kon niet verteld worden in de wandeling zoals wij die samen met elkaar op dat stukje levenslijn een paar minuten maakten.

 

Ik vertelde daarom dat ik gestopt was met roken, en dat oudjes zoals ik in Enkhuizen gemotiveerd werden om meer te bewegen. Dat het leuk was om ’s zomers in de zon te lopen, en in de herfst in de regen. Dat nat zijn leuk was, als je nat zijn maar leuk vond.

Hij keek mij aan, met een duidelijke “Oh…”-blik in zijn ogen. Daarop fietste hij verder naar de dingen die hij die dag ging doen, en liep ik verder naar de dingen die ik ging doen.

 

Maar wat ik besefte, wat ik goed besefte, was dat ik zojuist één der hooppuntjes van de wereld ontmoet had. De natte jongen op de fiets was een stukje hoop van de mens, zonder dat hij zich dat zelf realiseerde. Een jongen die door de regen fietst, en aan een ochtendnors uitziende man onder een grote paraplu zonder schroom uit belangstelling vraagt waarom die man dagelijks door weer en wind over een stukje fietspad loopt, belichaamt hoop.

Mensen die vragen “Waarom?” zijn de hoop van de mensheid. Mensen die vragen “Waarom” zijn de geest, ziel en menselijkheid van de mensheid. Deze mensen behoren tot die kleine groep mensen die de mensheid verder laten gaan en bestaan, en in staat zijn een stukje geluk te scheppen. Ondanks alles wat die mensheid doet.

 

Het komt ooit wel goed allemaal.