Hans Langbroek, raadslid voor Het Enkhuizer Alternatief

   

In een tijd van universeel bedrog is het spreken van de waarheid een revolutionaire daad (George Orwell)

Nacht

(16 februari 2011)

 

Vele, vele jaren geleden, een aantal jaren zelfs voordat mijn dochter geboren werd, kocht ik eens een hond. De hond was een kleine, slechts 5 weken jonge zwarte pitbullpuppy met enkele witte plekjes op snuit, bles en tenen. Geen acht slaande op, of eigenlijk zelfs nauwelijks bewust zijnde van, de heftige maatschappelijke hysterie welke destijds rondom het ras speelde, nam ik het kleine pitbulletje samen met m’n toenmalige stiefkindertjes vertederd mee naar huis. Het hele item “pitbull” was volledig aan ons voorbij gegaan, en het feit dat het een hond uit de destijdse “stoer-scène” was eveneens.

Voor ons was het een zeer jonge, kleine zwarte vertederende puppy met droefogen. Niets meer en niets minder. Het hondje werd door mij Djeems gedoopt.

 

Djeems groeide voorspoedig op als een goed opgevoede huishond. Hij was wars van vechtpartijen met andere honden, al had hij in de pubertijd wel enige grommels laten horen naar andere reutjes.

Door allerlei overspannen reacties van de mij omringende mensheid werd mij wél alras duidelijk dat pitbulls gevaarlijk geacht werden te zijn. Al snel werd ik getorpedeerd tot aso, tot drugsdealer, tot vechtjas, tot hondengevechtorganiseerder, en tot iemand waar je voor uit moest kijken. Dat allemaal om mijn hond, mijn immer goedmoedig met me mee sjokkende Djeems…

Om de Enkhuizer goegemeente emotioneel niet teveel te belasten besloot ik om Djeems voortaan ’s avonds wat later uit te laten. Dan kon ik hem zonder in paniek schreeuwende medemensen om mij heen los laten rennen op het toenmalige recreatieoord waar nog geen zwembad was maar ruige bosjes, op het “Landje van Groen”, op de puinhoop die nu door Groenbewusten natuurgebied genoemd wordt, op campingvlaktes, und so weiter.

 

In die tijd leerde ik de nacht waarderen. Nóg meer waarderen dan dat ik al deed. Vanaf mijn jeugd heb ik al nachtelijke sterrenhemels bekeken; vol fantasiebeelden over sterrenreizen die ik later zou ondernemen, over ruimtewezens, over leven op planeten, over zwarte gaten en alles dat Nederlandse jongetjes vroeger bezighield als ze in donkere nachten omhoog keken.

Met Djeems liep ik het grootste deel van het jaar ’s nachts over het Enkhuizer Zand. De toentertijdse verlichting was nauwelijks verlichting te noemen, en de looptochten waren dan ook grotendeels in volledig duister. Doorgaans liepen we minimaal anderhalf uur, maximaal drie uur per avond.

 

Als je dergelijke lange tijden ’s avonds en half ’s nachts dagelijks buiten loopt, in je ééntje met je hond op plaatsen waar en tijden dat je niemand tegen komt, dan wordt het duister van de nacht een vriend van je. Het duister leert je zaken anders te bezien en te ervaren.

Je wordt in het duister van de nacht een wezen dat de wereld om zich heen steeds bewuster voelt, ruikt, hoort, proeft, ziet, én waarneemt. Dat laatste is de crux die de nacht zo mooi maakt. Waarnemen is geen voelen, ruiken, horen, proeven en zien, maar waarnemen is waarnemen. In de nacht neem je waar.

Als je waarneemt dan maak je deel uit van wat je voelt, ruikt, hoort, proeft en ziet. In de nacht maak je deel uit van waar je loopt en bent, je maakt deel uit van het geheel. Je zou bijna kunnen zeggen: Je bént het geheel, het waarnemen staat gelijk aan het geheel zijn.

Duister is een vriend, warm in al z’n kilte. Eén van de mooie en liefdevolle eigenschappen van het duister is dat dit duister je de gelegenheid geeft ooit weer licht te ervaren als je dat wilt, kunt en zoekt. Hetzij mentaal, hetzij zintuiglijk.

 

Vanochtend vroeg liep ik zoals gewoonlijk langs het fietspad van de Provinciale Weg naar mijn werk op Schepenwijk. Naar het iets oplichtende oosten kijkend besefte ik dat dit één van de laatste weken zou zijn dat ik ‘s ochtends in het donker naar mijn job zou kunnen lopen.

’s Ochtends in het donker van de herfst en de winter maak ik deel uit van een wereld waar ik dan tevens ook los van sta. Dan loop ik langs de periferie van het geestelijke besef, langs de rand van wat de wereld is. De Engelsen en Amerikanen noemen het de Twilightzone, ik noem het de schemerwereld van de winterslaap van het leven.

 

Het wordt één van de laatste weken dat ik ’s ochtends nog kan genieten van het één-zijn met een wereld waar ik dan óók los van sta. Waar ik alleen loop zonder eenzaam te zijn, waar ik de zaken kan bezien zonder er deel van uit te maken.

Auto’s brulden vanochtend langs zonder me te bereiken, Enkhuizen bestond alleen in een sprookjesboek.

Het enige is, ik zou het soms allemaal zo graag aan Inge kunnen vertellen.