Hans Langbroek, raadslid voor Het Enkhuizer Alternatief

   

In een tijd van universeel bedrog is het spreken van de waarheid een revolutionaire daad (George Orwell)

Over macht, geweld en geweldloosheid

Bron: [Ode]
(3 juni 2007)

 

 

Onderstaand vier uitspraken van Mark Kurlansky, en daaronder een uitreksel (in het Nederlands) van een hoofdstuk uit z’n boek "Nonviolence: The History of a Dangerous Idea (Modern Library)".
Het is allemaal bijzonder interessant, vooral als je de geschiedenissen van revoluties beschouwt zoals ze doorgaans overgeleverd worden door geschiedenislessen en in boeken. Zelf moet ik er eens even de tijd voor nemen om er over te denken, en te kijken of ik het er mee eens ben. De vier onderstaande uitspraken ben ik het sowieso wel mee eens, en een deel van de tien conclusies helemaal onderaan ook. Totale geweldloosheid als concept weet ik dus nog niet helemaal...

Het is een lang stuk, doch interessant!

 

Wetten zijn niets anders dan een schriftelijke weergave van de heersende machtsverhoudingen.

 

Wat is geweld immers anders dan het met kracht opdringen of afdwingen van een onvrijwillige handeling of positie?

 

Verandering van een samenleving, laat staan van een autoritaire orde, is altijd met directe actie gepaard gegaan. Hoe fundamenteler de voorgestane verandering hoe groter, heftiger en langduriger het verzet vaak was.

 

Nog nooit in de geschiedenis was een oorzaak van een probleem deel van een fundamentele oplossing ervan.

 

Mark Kurlansky

 

Een eind maken aan geweld is een gevaarlijk idee van gevaarlijke mensen – en dat is het mooie eraan

Het meest opvallende aan geweldloosheid is dat er geen woord voor bestaat zonder een ontkenning erin. Het basisidee wordt aanbevolen door alle wereldreligies in alle culturen, maar intussen telt elke taal een woord voor geweld, maar niet één dat geweldloosheid uitdrukt zonder het aan te duiden als het tegendeel van dat andere, geweld. In het Sanskriet is het woord voor geweld himsa, kwetsen, en de ontkenning van himsa is ahimsa, niet kwetsen. Maar als ahimsa ‘niet kwetsen’ is, en geweldloosheid ‘niet gewelddadig’ is, rijst de vraag: wat is het dan wél precies?
 Er is een verklaring voor het gebrek aan een eigen woord: in alle culturen heeft niet alleen de politieke, maar ook de artistieke en intellectuele elite geweldloosheid beschouwd als abnormaal. Ze is altijd gezien als een excentrieke afwijzing van een wezenlijk bestanddeel van elke maatschappij. Ze kwam in de marge terecht, omdat het een waarachtig revolutionaire gedachte is, een concept dat het karakter van een samenleving diepgaand kan veranderen, een bedreiging voor de gevestigde orde. Geweldloosheid is altijd benaderd als iets extreem gevaarlijks.
Toch hebben aanhangers van geweldloosheid – gevaarlijke lieden – door de hele geschiedenis heen van zich laten horen. Ze hebben de voortreffelijkheid van mensen als Caesar, Napoleon, de voormannen van de Amerikaanse Revolutie, Roosevelt en Churchill in twijfel getrokken. Ze hebben bij elke kruistocht, revolutie en burgeroorlog, telkens weer, benadrukt dat geweld niet alleen immoreel is, maar ook een weinig effectief middel om een hoger doel te verwezenlijken. Die mogelijkheid is echter zelden overdacht, omdat de Caesars en Napoleons altijd hun macht hebben aangewend om de stem te smoren van degenen die het nut van oorlogvoeren betwijfelen – en het zijn juist deze Caesars die geschiedenis zullen schrijven, zoals Napoleon al eens zei. Dus worden altijd degenen vereerd die gemoord hebben.
Daarom geldt binnen de meeste culturen de opvatting – zelden hardop uitgesproken, maar impliciet aanwezig – dat geweld reëel is en geweldloosheid niet. Maar zodra geweldloosheid iets werkelijks wordt, is het een invloedrijk verschijnsel.

Geweldloosheid is niet hetzelfde als pacifisme, waarvoor vele uitdrukkingen bestaan. Pacifisme is een gemoedstoestand. Pacifisme is passief, terwijl geweldloosheid actief is. Pacifisme is onschadelijk en daarom gemakkelijker te accepteren dan geweldloosheid – want dat is gevaarlijk. Toen Jezus zei dat een slachtoffer iemand zijn andere wang moet toekeren, predikte hij pacifisme. Maar toen hij zei dat een vijand overrompeld kan worden door de kracht van de liefde, predikte hij geweldloosheid.
 Geweldloosheid is een middel tot overreding, net als geweld – een recept om je zin te krijgen. Voor het bedenken van een geweldloze strategie – een boycot, een sitdownstaking, werkonderbreking, straattheater, demonstraties – is veel meer fantasie nodig dan voor het gebruik van geweld. Maar wat is geweld precies? Sommige aanhangers van geweldloosheid vinden dat een boycot die leidt tot honger en gebrek ook een soort geweld is. Anderen denken juist dat niet-dodelijke vormen van geweld, zoals stenen gooien en rubber kogels afschieten, al een soort geweldloosheid is. Maar het centrale credo is: vormen van overreding die geen lichamelijk geweld toepassen en geen lijden veroorzaken, zijn productiever.
 Gandhi bedacht er een woord voor: satyagraha, afgeleid van satya dat ‘waarheid’ betekent. Volgens Gandhi betekende satyagraha letterlijk ‘vasthouden aan de waarheid’. Het is veelbetekenend dat Gandhi’s wijsheid en methoden overal ter wereld een enorme invloed hebben gehad, maar dat zijn woord ervoor nooit is ingeburgerd.

Het is altijd gemakkelijker om propaganda te maken voor oorlog dan voor vrede. Het is ook gemakkelijker om de vrede te beëindigen dan de oorlog, omdat vrede kwetsbaar is en oorlog duurzaam. Zodra de eerste schoten zijn gelost, worden de tegenstanders van oorlog gewoon weggezet als verraders. Einde discussie.
Dat geweldloosheid praktische politieke doelstellingen kan verwezenlijken, blijkt paradoxaal genoeg uit de Amerikaanse Revolutie, de langste oorlog uit de Amerikaanse geschiedenis tot Vietnam. Voor april 1775, toen de eerste schoten van de oorlog werden gelost in Concord, Massachusetts, hadden de rebellen spectaculaire successen behaald met geweldloos verzet, ook al hadden ze ook tot oorlog opgeroepen. Toen de Engelsen in 1765 de Stamp Act (een belasting op alles wat op papier werd gedrukt) aannamen, werden in alle kolonies demonstraties georganiseerd door meeste kolonisten die een groot publiek konden overtuigen dat dit een onrechtvaardig besluit was. De belastinginners zagen zich overal, behalve in Georgia, gedwongen af te treden. Het resultaat was dat de belastingmaatregel binnen een jaar werd ingetrokken.
De Amerikaanse revolutionairen hadden in de periode voor de oorlog veel succes met boycots, een belangrijk geweldloos pressiemiddel. Vrouwen kochten niet langer stof van Engelse textielfabrieken, maar gingen zelf weven. Zelf gesponnen wol werd mode. Spinavonden werden patriottische bijeenkomsten. Door de boycot van thee in dezelfde tijd werden Amerikanen koffiedrinkers. Er werd uitvoerig over gediscussieerd hoe de theeboycot kon worden uitgebreid. Op 16 december 1773 stapten zestig revolutionairen, vermomd als indianen, in de haven van Boston aan boord van drie schepen en gooiden 342 kisten thee ter waarde van tienduizend pond in zee. Het was een uitstekend georganiseerde vorm van geweldloos verzet. Er was geen sprake van plundering of vandalisme. Volgens de overlevering werd er een hangslot geforceerd, dat door de rebellen note bene is vervangen.
 Waarom zijn de opstandelingen toch oorlog gaan voeren? Er was altijd al een sterk anti-Brits sentiment. De tweede Amerikaanse president, John Adams, schreef vele jaren na zijn overdracht aan Thomas Jefferson zijn opvolger een brief: ‘De revolutie beheerste ieders gedachten en lag ten grondslag aan de vereniging van de koloniën, wat al bereikt was voordat de vijandelijkheden losbarstten.’ De schrijver François René de Chateaubriand, die de Franse Revolutie had meegemaakt, zei vrijwel hetzelfde: ‘De Franse Revolutie was al voltooid voor ze begon.’
Als revoluties dus in de gedachten van de mensen worden voltooid, waarom moet er dan toch nog wapengekletter volgen? Waarom houden bijna alle politieke filosofen – niet alleen Locke, Hobbes en Rousseau, maar ook latere, Marx en Lenin – vol dat een revolutie een gewapende beweging is? Is de bron van geweld wel de menselijke natuur, zoals de filosoof Thomas Hobbes stelde, of eerder gebrek aan fantasie?

De meeste nieuwsmedia, politieke leiders, culturele instellingen en experts verheerlijken de oorlog, terwijl de triomfen van geweldloosheid niet worden erkend. Misschien komt dat wel door gebrek aan fantasie. Over één van de spectaculairste overwinningen van geweldloosheid in de geschiedenis spreekt bijna nooit iemand.
In de winter van 1989 ging de Poolse Communistische Partij aan democratische verlangens ten onder, waarna heel Midden-Europa viel en ten slotte in december 1991 de Sovjet-Unie uiteenviel. De rest van de wereld was volledig overdonderd. Het meest verrast waren de Amerikaanse president, George H.W. Bush, en zijn adviseurs van wie de meeste nog stamden uit de toen net afgetreden regering-Reagan. Wat was hier gebeurd, vroegen zij zich af. Was het hun gelukt? Na verloop van tijd kwamen ze tot de slotsom dat het hun inderdaad was gelukt; ze hadden de Sovjet-Unie omvergeworpen door een keihard standpunt in te nemen. De Amerikaanse regering had weliswaar al sinds de Russische Revolutie zonder succes een ‘keihard standpunt’ ingenomen, maar Ronald Reagan – zo analyseerden ze erop los – had als een goede koude oorlogsvoerder de nucleaire wapenwedloop verder opgevoerd en dat was de Sovjets dus fataal geworden...
Wie dit beweert – en sommigen beweren het nog steeds – gaat voorbij aan alle Oost-Europeanen die een leven lang langzaam en geweldloos het Sovjetgezag hebben ondermijnd.  In werkelijkheid was de kiem in 1956 aan de Universiteit van Warschau gelegd door twee studenten, Jacek Kuron en Karol Modzelewski. Zij organiseerden het verzet en bleven daar ook in het geheim mee doorgaan toen zij eens waren gearresteerd en werden verwijderd uit de Communistische Partij.
Maar de rest van de wereld geloofde niet in geweldloosheid. De Engelsen hebben bijvoorbeeld altijd volgehouden dat Gandhi’s overwinning niet bewezen had dat geweldloosheid effectief was, maar dat de Engelsen in wezen een net volk waren. In een verhandeling uit 1949 over Gandhi in de Partisan Review stelde de schrijver George Orwell zelfs dat Gandhi’s tactiek bij de Russen nooit zou slagen.
Geduld was het geheime wapen van de Oost-Europese dissidenten. De Polen accepteerden dat het tijd zou kosten om het regime omver te werpen. Jan Litynski, die in 1968 aan de studentenprotesten had deelgenomen, zei in New York Times, toen het einde naderde: ‘Wat me geloof ik nog het meest verraste, was dat het zo snel gebeurde.’ Het had twintig jaar geduurd.
En de toonaangevende Poolse dissident Adam Michnik schreef in 1985 in de gevangenis over de tactiek van geweldloosheid: ‘De geschiedenis heeft ons geleerd dat het gebruik van geweld bij de bestorming van de bestaande Bastilles er waarschijnlijk toe zal leiden dat we onbedoeld nieuwe bouwen.’
Aan het eind van de jaren tachtig had zo’n groot deel van de bevolking zich tegen de onderdrukkende communistische regimes gekeerd dat ze niet meer konden functioneren. Op 7 oktober 1989 gaf de Oost-Duitse leider van de Communistische Partij, Erich Honecker, de veiligheidstroepen bevel het vuur te openen op de demonstranten in Leipzig. Egon Krenz, verantwoordelijk voor de veiligheid, vloog naar Leipzig om te voorkomen dat er werd geschoten. Krenz vreesde dat het einde van het regime nabij was als de veiligheidstroepen gingen schieten. Tien dagen later, nadat Honecker gedwongen was af te treden, ging men toch over tot geweld. Binnen een maand was het regime weg en werd de Berlijnse Muur met kleine brokken tegelijk door souvenirjagers afgevoerd. 
Op 17 november 1989 liepen studenten in Praag in een demonstratie ter nagedachtenis van een student die vijftig jaar eerder door de nazi’s was doodgeschoten. Ze werden aangevallen door de politie, die meende het gezag van het Tsjechische regime te moeten bewijzen nu Oost-Duitsland begon te wankelen. Na de aanval waren er steeds grotere bijeenkomsten waarop werd geprotesteerd tegen het regime. Het regime bleef nog maar een paar weken overeind.
Met of zonder geweld, het was hoe dan ook te laat voor de Sovjets en hun paladijnen in Oost-Europa. Ze hadden hun geloofwaardigheid bij het volk volledig verspeeld. Gandhi heeft eens gezegd: ‘Geen enkele regering kan nog een moment blijven bestaan zonder de vrijwillige of gedwongen steun van het volk, en als de mensen op ieder punt hun steun intrekken, loopt een regering vast.’
Ook vóór Solidarność (Solidariteit, de Poolse vakbeweging van de latere president Lech Walesa) waren er in Polen al alternatieve vakbonden opgericht. De burgers waren steeds meer in staat tot een leven buiten de door het regime vastgestelde orde. De daden waren misschien klein, maar de doelstellingen groot. Václav Havel, de dissidente Tsjechische toneelschrijver en latere president, noemde dat ‘in de waarheid leven’. Hij betoogde dat als mensen naast het staatssysteem leefden in plaats van erin – wat hij omschreef als ‘leven in een leugen’ – er altijd een spanning zou bestaan tussen die twee werkelijkheden en dat die niet voor altijd naast elkaar konden blijven bestaan. Het antwoord op de wandaden van de staat was er niet aan meedoen.

Ondanks deze en vele andere overwinningen dankzij geweldloosheid is het moeilijk te geloven dat de wereld erop vooruit is gegaan als je luistert naar Al-Qaeda of Hamas, of zelfs de huidige Amerikaanse president die het heeft over een permanente ‘oorlog tegen het terrorisme’. Maar in de geschiedenis zijn er zelden zoveel tegenstanders van oorlog geweest als nu tegen de Amerikaanse invasie en bezetting van Irak. Het verzet kwam veel sneller op gang dan tegen de oorlog in Vietnam. En het wordt moeilijker om mensen te vinden die willen meevechten. De meeste Amerikanen die in dienst gaan, doen dat uit economische overwegingen en hopen dat ze nooit in een oorlog betrokken zullen raken.
Hannah Arendt, filosofe en politiek denker, wees er in haar studie Over geweld uit 1969 op dat vrijwel algemeen wordt aanvaard dat geweld één van de meest stuwende krachten in de wereldgeschiedenis is geweest, terwijl het fenomeen nauwelijks is bestudeerd door historici en sociaal-wetenschappers. Naar haar idee is geweld zo’n alledaags onderdeel van de menselijke activiteiten dat het ‘voor lief wordt genomen en daarom genegeerd’.
Maar hoe zou het zijn als we leefden in een wereld waarin geen woord bestond voor oorlog behalve ‘niet-vrede’? Het zou heus geen wereld zijn waarin nooit werd gevochten, maar wel een wereld waarin oorlog werd beschouwd als een afwijkende activiteit. Wat voor een wereld zou dat zijn?

Dit artikel is een ingekort en bewerkt hoofdstuk uit het nieuwste boek van Mark Kurlansky, Nonviolence: The History of a Dangerous Idea (Modern Library).


Tien lessen - Wat we kunnen leren uit de geschiedenis van de geweldloosheid:

1. Landen die een militaire macht opbouwen ter afschrikking zullen deze uiteindelijk gebruiken.

2. De staat beschouwt zich als machteloos zonder leger, omdat zij zich geen invloed zonder slagkracht kan voorstellen.

3. Zodra een religie door de staat wordt overgenomen, verspeelt dit geloof zijn geweldloze principes.

4. Mensen die geweldloosheid in praktijk brengen, worden gezien als staatsvijanden.

5. Een conflict tussen een gewelddadige en een geweldloze macht is een morele strijd. Als de gewelddadige partij de geweldlozen kan verleiden tot bloedvergieten, hebben de gewelddadigen gewonnen.

6. Geweld lost nooit iets op. Het leidt altijd tot meer geweld.

7. Ondanks de moeite die de maatschappij doet om oorlog aantrekkelijk te maken, ervaren de meeste soldaten oorlog als een ontwrichtend afscheid van hun eigen morele normen.

8. Oorlog brengt vredesactivisten voort.

9. Niet de grootste, maar de best georganiseerde en meest uitgesproken groepering boekt meestal de overwinning.

10. Het zwaarste werk – een beweging in gang zetten om aan alle oorlog een eind te maken – is al gedaan.