Hans Langbroek, raadslid voor Het Enkhuizer Alternatief

   

In een tijd van universeel bedrog is het spreken van de waarheid een revolutionaire daad (George Orwell)

Lekker discrimineren

(9 augustus 2009)

 

Een jaar of vijf, zes terug in de zomer was ik eens op een soort feestje. Ik rookte mooi nog onbezorgd zonder daaraan gekoppelde doemgedachtes, er stond een groot glas bacardi-cola voor mijn neus, er werd leuke muziek gedraaid, en er was een vrij divers gezelschap ter plaatse aanwezig in het kader van dat feestje.

Met andere woorden, het was leuk om daar te zijn en te vertoeven! Als deelnemer en als waarnemer zijnde.

 

Op een gegeven moment ontstond er tussen een paar mensen een discussie. Zelf nam ik geen deel aan die discussie, mijn entiteit stond even in de “onzichtbare modus”. Maar ik luisterde er wel naar.

Eén van de twee hoofddiscussiërenden was een mij onbekende donkere jongeman van een jaar of 30 of 32. Hij was de mix van een Papoea-ouder en een ouder van Surinaams-Hindoestaans bloed. Zijn bezigheid in het leven was een opleiding volgen op hoog niveau. Dat wist ik doordat hij dat nogal uitdroeg die avond.

Hij was in discussie met een jongeman die last had van enige vorm van wat voorheen wel bekend stond als manische-depressie, en tegenwoordig bipolaire persoonlijkheidsstoornis genoemd wordt voor zover ik begrepen heb. Deze jongeman was van dezelfde leeftijdsgroep als de donkere jongeman, had een cultureel uitziende baard en was van een totaal ander slag.

Deze bebaarde jongeman hield zich bezig met toneelspelen in verschillende settings, en met culturele activiteiten die daaraan verwant waren.

 

De discussie ging erover dat de donkere jongeman stevig meende te kunnen verdedigen dat hij als mens in zijn menszijn meer waard was dan de bebaarde jongeman. Dit harde waardeoordeel op menszijn, hier te vertalen als menselijke waardigheid, was gebaseerd op zijn vermeend hogere intelligentie. En op de daaraan gekoppelde algemene mogelijkheden in het leven en eventueel economisch en anderszins nut voor de samenleving.

Hij vond dat mensen met een gemeten hogere intelligentie meer rechten zouden moeten kunnen krijgen dan mensen met een gemeten lagere intelligentie, omdat ze in alle opzichten een hogere meerwaarde voor de samenleving hadden door die intelligentie.

Het verweer van de bebaarde jongeman was dat iedereen zo geboren wordt als dat hij is. Intelligent en onintelligent, homo en lesbisch, dom of niet-dom, een alpha-figuur of een beta-typje, en al dat aangeboren eigenschappen meer. Dat je geen invloed hebt op de genen die je vormen tot wat je bent, en dat het over mensen een waardeoordeel geven op basis van die aangeboren eigenschappen waar niet voor gekozen is en waar niet voor gekozen kon worden, nogal bruut was.

Het verhaal van de bebaarde jongeman benaderde mijn verhaal inzake bijvoorbeeld de religieuze veroordeling van homo’s en lesbo’s. Het verhaal is ook letterlijk waar, er is geen keuze namelijk.

 

De donkere jongeman bleef bij de mening dat dit waardeverschil er wel was. Niet alleen economisch gezien maar gewoon als menselijke waarde. Zijn verhaal kende ik ook wel, dat werd in de jaren ’30 en ’40 van de vorige eeuw sterk gepromoot door verschillende groeperingen in een aantal Europese landen.

 

Op een gegeven moment werd de discussie ietwat asociaal richting de bebaarde jongeman. Hij werd feitelijk met niet zo heel verhullende woorden neergezet als waardeloos om z’n genetisch code. Ook vooral als overbodig zijnde, op basis van die genen. Op basis dus van een willekeurig door de donkere jongeman uitgekozen aangeboren eigenschap die vermeend “goed” of “slecht” zou moeten zijn.

 

Daar op die locatie in de discussie eigende ik mijzelf het recht toe om in deze discussie te interveniëren. Ik vroeg de donkere jongeman waar hij dacht het recht vandaan te halen dit allemaal zo denigrerend tegen de bebaarde jongeman te kunnen zeggen. Dat hij dit in mijn opinie niet kon en mocht doen. Hij trapte erin, en vroeg uitdagend waarom dan wel niet.

Mijn antwoord luidde uiteraard dat ik vond dat hij dat niet kon doen op basis van zijn huidskleur. Dat mensen die donkergekleurd waren geen burgerrechten dienden te kunnen krijgen in Nederland, en dat in landen waar de bevolking gekleurd was ellende, honger en geweld heersten.

Dat ik misselijk werd van iemand als hij die in dezelfde ruimte zat als ik.

Dat zijn bruine soort minderwaardig was aan blanke Europeanen, gezien het negatieve verschil in ontwikkeling dat zijn volk had weten te presteren in dezelfde tijd als dat mijn volk dat had gedaan. Dat hij zijn opleiding op dat niveau alleen maar kon volgen omdat de blanken ervoor gezorgd hadden dat die opleiding en de kennis ervoor konden bestaan; dat als het afgehangen had van zijn volk de enige bestaande cursussen boogschieten, vissen en hutten bouwen zouden zijn.

 

Hij schrok zich natuurlijk wild. Durfde, alhoewel ik agressie in z’n ogen zag, niet agressief te doen omdat ik toneelspeelde dat ik met m’n kaalgeschoren kop totaal uit mijn racistische plaat aan het gaan was. Dat ik op het punt stond hem dat huis uit te gooien om z’n huidskleur.

Hij probeerde te praten, maar kreeg tranen in z’n ogen en kon door een ontstane bibber in z’n lippen niet praten. Ik wel.

Er viel ineens een oorverdovende stilte in de ruimte, en elke leegte was op dat moment gevuld….

 

Daarna kwam waar het om ging, namelijk z’n verweer. Dat verweer, zijn punt waar het om ging, draaide om exact hetzelfde wat de bebaarde jongeman aan argumenten had gebruikt om zijn gelijkwaardigheid als mens te verdedigen. Dat huidskleur geen waardeoordeel mocht inhouden, dat die huidskleur niets zegt over wie iemand is, dat huidskleur aangeboren is, en dat mensen gelijk waren aan elkaar. Niet hetzelfde, maar wel gelijkwaardig. Dat we respect voor elkaars verschillen moesten kunnen opbrengen, en al die verhalen en blabla meer.

Op dat moment was ik op haast neurolinguïstisch te noemen wijze écht kwaad geworden. Hij kreeg de volle laag, en de tranen stroomden bij hem.

Op dat moment kreeg ik er genoeg van, en vroeg of hij het snapte. De rest had het al begrepen bij juist het horen van zijn eigen verhaal, maar bij deze zelfbenoemde donkerhuidige intellectueel viel het kwartje als laatste van iedereen.

 

Daarna, de rest van de nacht, was hij gewoon een aardige donkere jongeman die nog uren bleef hangen en ook humor bleek te bezitten.

 

PS: Zijn punt, zijn eerste verdedigde punt, is wél hoe de samenleving in werkelijkheid in elkaar zit. Dát natuurlijk wel.
Maar dat is weer een ander verhaal.