Hans Langbroek, raadslid voor Het Enkhuizer Alternatief

   

In een tijd van universeel bedrog is het spreken van de waarheid een revolutionaire daad (George Orwell)

Langs ’t paadje lopen

(16 augustus 2009)

 

Vanochtend werd ik wakker, en begreep eindelijk waar ik mee bezig ben. In grote lijn dan welteverstaan.

 

Jaren terug, in de tijd dat vier dagen niet-scheren nog een wat mindere ramp was dan nu, woonde ik op de begane grond in een Piet Rodenburgstraatflatje bij mijn destijdse vriendin. Geen kameraadvriendin, maar een partnervriendin.

In dat flatje bezat ik allemaal zaken die ik nu niet meer heb, doch toentertijd door mij belangrijk, leuk of noodzakelijk geacht werden om te bezitten. Zo bezat ik een gaskachel, een aantal mislukte zelfontworpen en getimmerde boekenkasten, een karabijn met kogels, een tropisch aquarium, een illegale grote zender waarmee ik met de hele wereld kon praten, een speciale antenne waarmee ik ’s avonds naar Populair TV uit Medemblik kon kijken, een Atari-spelcomputer, en dat soort zaken allemaal.

 

Het was een leuke levensfase. In die puppytijd is leven wat minder ingewikkeld, doch je praat het met vrienden en vriendinnen onder een goed glas graag ingewikkeld. Partner-vriendinnen zijn de natuurlijke voortzettingen van jezelf, en jij van hen. De toekomst is een zwart gat, maar een mooie kleur zwart. Een aantrekkelijke diepe kleur zwart, en je duikt er zonder een spoortje schroom als jongeling in. Maar das war einmal.

Nu is nu, nu is alles nu.

 

Op een dag keek ik urenlang als in trance mijn tropische aquarium in. De visjes, de luchtbellen, de plantjes, de algensoortjes, het was onmetelijk interessant. Het aquarium was op dat moment letterlijk de wereld.

Ineens, zonder inleiding, werkten mijn hersenen anders. Er was een flits van een soort Überbewusstsein, om het op z’n Jungs te benoemen. De ratio doorzag “het” geheel, verbanden tussen letterlijk alles werden duidelijk zichtbaar, het inzicht in de gang der gebeurtenissen en de wereld om me heen waren opzienbarend. Ik proefde en verkende op dat moment letterlijk een vorm van “alweten”. De ultieme duidelijkheid, de ongeschonden rationaliteit.

Maar na tijdsverloop van een aantal seconden, of iets dat ik zo waarnam, verdween deze ervaring. Het verdween als een droom die je ’s ochtends wanhopig tracht vast te houden, maar die je letterlijk ziet en voelt oplossen in het niets. De kater was maximaal, en het besef dat al-inzicht binnen bereik is gekmakend. De vragen zijn: waar en hoe?

 

Jaren terug, in de tijd dat ik een getrouwd man was en scheren zich tot een met regelmaat noodzakelijk iets geëvolueerd had, bezat ik een pitbull. De pitbull heette Djeems, en was een leuke hond.

Dagelijks liet ik Djeems ‘s avonds uit op het toen nog niet door chloorbad en asfaltvloer verminkte Enkhuizer Zand. Dat uitlaten ontwikkelde zich vrij vlot tot iets dat uren duurde, zelfs wel tot in de nachten aan toe duurde.

Daar in die donkere avonden en nachten leerde ik Djeems luisteren, gehoorzamen, begrijpen, en met me meelopen in de duisternis zonder eventueel plotseling verschijnende andere levende wezens tot gehakt te kauwen.

 

Met die pitbull urenlang in het donker over het nog ruige en groene Enkhuizer Zand lopen, was geweldig. Vooral in herfst en winter, om de duisternis die dan vroeg inviel.

Djeems en ik liepen dan in het donker over het strand, over het “Landje van Groen”, door het wilde gebiedje tussen het gemaal en de voetbalvelden, over het grote grasveld van de zomercamping, langs de  muur, door struik- en boomgewas, en overal en nergens. Richtingloos, doelloos, betekenisloos.

We liepen er gewoon, al die jaren terug. In een tijd dat veel andere mensen daar nauwelijks tot nooit in het pikkedonker wensten te lopen omdat dit eng gevonden werd.

 

Langzaam en ongemerkt, maar toch binnen een vorm van bewustzijnsgrenzen, herontwikkelde zich mijn dierlijk instinct. Hoe diep en zwart duisternis ook zijn kon, ik bemerkte direct als zich verderop iets levends bevond of bewoog. Een mens, een hond, een vogel, een dier. In de inktzwarte duisternis van de herfst- en winternachten ontwaarde ik ze. Eerst puur op instinctsgevoel, en dan bij naderen op het oog.

Het is onwaarschijnlijk wat je instinct kan doen, en het is onwaarschijnlijk wat je oog kan doen. Maar het kan, en het gebeurt.

 

Goed te beschrijven is het niet. Het woord ervoor bestaat niet. Hooguit kan het woord “voelen” gebruikt worden, maar dat dekt de lading maar voor een fractie.

Wat ik kan zeggen is: je voelt een vogel aankomen vliegen voordat je hem ziet of hoort in het donker, je voelt een mens voordat je hem ziet en ontmoet, je voelt een boom staan voordat je ernaast staat, je voelt een vis zwemmen en je voelt een dier bestaan voordat je hem ziet of hoort.

Je dierlijk instinct neemt waar voordat je rationele, bewuste “ik” zelfs maar beseft dat er iets waar te nemen valt. Het ervaart als compleet zijn, dat kan ik wel zeggen.

 

Daarna verdwijnt dat weer. Het verdwijnt omdat je op jacht gaat naar wat nodig geacht wordt. Geld, baan, auto, verhuizingen, schoolgeld, rekeningen, plavuisvloeren, en alles dat eruit ziet als goed, beschaafd en ontwikkeld.

De werkelijkheid van een vogel in de lucht kunnen voelen, verdwijnt. De werkelijkheid van een vis kunnen voelen zwemmen verdwijnt. De werkelijkheid van in het donker een ander soort donker kunnen zien verdwijnt. Die werkelijkheden worden sprookjes, hersenspinsels, een vermoeden van potentiële waanzin en schizofrenie.

 

Maar het gekke is, het verlies van die werkelijkheden doet meer pijn dan het verlies van beschaafde en ontwikkelde werkelijkheden.

 

Waar ik mee bezig ben is het proberen die werkelijkheden óók werkelijkheden te kunnen laten zijn. Naast de baan, naast de welvaart, naast de economie, naast de auto’s, naast de rekeningen, naast Afghanistan en naast olieproblemen.

Het zijn heel breekbare werkelijkheden. Er is geen bom nodig om ze kapot te maken, slechts een woord of uitspraak is genoeg. Een persoon die aanzien heeft of hard kan praten, en zegt dat het hersenspinsels zijn, is genoeg.

Maar ze zijn heel veel waard, deze werkelijkheden, en we moeten ze weer terug gaan geven aan onze kinderen en kindskinderen.