Hans Langbroek,†raadslid voor Het Enkhuizer Alternatief

   

In een tijd van universeel bedrog is het spreken van de waarheid een revolutionaire daad (George Orwell)

Errug droog
(8 november 2006)

Laatst zat ik in m'n huisje te mijmeren. Voor het raam, op een stoel vanwaar ik uitkijk over een enorme, onafzienbare droge vlakte. Ik dacht aan de tijd voor het grote hoogtepunt van de opwarming van de aarde, voor die tijd waarin er toen zes gigantische olierampen in vier weken tijd op zee plaatsvonden.
De herinnering aan die tijd maakte me wat triest. De herinnering aan de sensationeel gebrachte nieuwsberichten, aan de wereldomvattende oliefilm die door de olierampen over de zeeŽn kwam te liggen, aan de grote droogte die volgde omdat er geen water meer uit de oceanen verdampte. Ik dacht aan de honderden miljoenen doden door watergebrek in de daaropvolgende jaren, aan de gevechten om water die overal op aarde volgden, aan de grote volksverhuizingen en de oorlogen die uitbraken. Ik heb die tijd overleefd.
M'n gedachten werden onderbroken doordat m'n kleindochter van de trap naar beneden kwam. Ze was op zolder wezen spelen en struinen. Op zolders van heel oude mannetjes is voor een kind altijd avontuur te beleven, en er zijn spannende voorwerpen uit vergane tijden. Ze sprak me aan, en het volgende gesprek met de kleine meid ontspon zich:

Opa, kijk ik vond op zolder
'n foto van een grote plas
is dat nog van voor de droogte
toen't IJsselmeer nog water was.
Meissie, dat is 'n gelukkie
ik was dat prentje jaren kwijt
'k Heb nou weer 'n heel klein stukkie,
van die goeie kouwe tijd

Daar is het water, daar is de haven
Waar j'altijd horen kon, het klotsend nat
Maar die herinnering, is nu begraven
en aan de horizon, leid Lelystad
Eens ging de wind hier te keer,
golfde 't hele IJsselmeer,
witte zeilen haalde men dan neer.
De regering laat er, nu naar water graven
'k zie tot de horizon geen schepen meer

Kijk, die kale man ben ikke, ikke zat in de gemeenteraad
Hiero, en die grote dikke, was Jantje Franx en die was kwaad
Opa, en die zwarte hond daar, langs die mooie waterkant?
Opa, zeg nou wat!
Dat hondje, is m'n pitbull, die is dood.

Daar aan die waterkant, op het Enkhuizer Zand
Daar liep ik jarenlang, met die zwarte hond
's Avonds aan die waterrand, daar door dat gele zand
Daar renden we urenlang, met elkaar rond
Maar op een dag wilde hij, bijten in iets van mij
Iets van mij waar ik heel veel van hou
Nu jaren later, kan ik daarover praten
Hij wilde bijten in, de moeder van jou.

Waar is het water, waar is de haven
Waar j'altijd horen kon, het klotsend nat
Maar die herinnering, is nu begraven
En aan de horizon, leid Lelystad.
Eens ging de wind hier tekeer, golfde 't hele IJsselmeer,
Maar nu is er enkel nog woestijn.
Waar eens de golven, die vlakte bedolven,
Waait nu een stofstorm langs, en dat doet pijn.