Hans Langbroek, raadslid voor Het Enkhuizer Alternatief

   

In een tijd van universeel bedrog is het spreken van de waarheid een revolutionaire daad (George Orwell)

Een beetje vroeger

(5 november 2007)

 

Laatst zat ik in de auto op weg naar Hoorn. De weg ging langs alle nieuwe “creatieve” bouwsels die tot de wijk Kersenboogerd behoren, en ineens realiseerde ik me dat ik al die wijken nog gekend had toen het daadwerkelijk mooie groene boomgaarden waren. Daar reed ik vroeger langs met m’n Yamaha-brommertje, op weg naar de toenmalige Rijks Scholen Gemeenschap in Hoorn. ’s Zomers met de brommer, ’s winters met de trein. Vanuit de trein had je toentertijd helemáál een mooi uitzicht over de groene vlaktes, en Hoorn begon pas bij de spoorbrug over de Provinciale Weg.

Door die herinneringen dacht ik nog verder terug in de tijd, de tijd dat m’n vader me schepnetjes leerde maken van oude panty’s van m’n moeder. De tijd dat hij me leerde stekelbaarsjes te vangen en hij het verschil uitlegde tussen de mannetjes en de vrouwtjes, en dat also over salamanders, kikkers, bloedzuigers, schrijvertjes welke over de wateroppervlaktes van boerenslootjes hun naam schreven in bloedstollende en onnavolgbare bewegingen. Ik dacht terug aan hoe hij me leerde vishaakjes aan een lijn te knopen, dobbertjes af te stellen.

Het was een tijd waarin ik op school leerde dat Nederland 11 miljoen inwoners had, en dat Suriname ook bij Nederland behoorde. De tijd van staartdelingen, stam + t, Sinterklaas die net niet meer bestond, en zwarte mensen die je alleen uit boekjes van Sjors en Sjimmie kende. De tijd van Pipo en Mamalou  en van Swiebertje, Bromsnor en Saartje…

 

Heel soms word ik door zulke herinneringen wat melancholiek. Het dorpse van Nederland in die tijd, en de onschuld van de burger die nog niet wist wat hij zou “moeten” weten. Omstreeks die tijd, de jaren zestig, beten we als enige kneuterlandje dat nog over was in Europa ineens in de appel der kennis. Daarna veranderden we ons land in niet bij te houden tempo in een hel van auto’s, niet-geïntegreerde buitenlanders van 177 nationaliteiten, jeugd die steeds jonger steeds crimineler wordt, onleefbare wijken in grote steden, angst voor terrorisme, asfalt, computers, grote grijze metaal-stenen gebouwen met vierkante en ronde vormen, immer en overal jengelende mobieltjes, 35 soorten tomatensoep van poeder in supermarkten, en zo’n 500 soorten snoep in de schappen van diezelfde winkels. We noemen het de nieuwe tijd, en zeggen dat we er de afgelopen 40 jaar goed op vooruit gegaan zijn.

 

Als ik de twee onderstaande liedjes voor m’n geestelijke oor houd, en ze beluister, dan weet ik niet of we er echt overal op vooruit gegaan zijn hoor. Lichte droevenis overvalt me dan wel eens, en het lijkt dan ineens allemaal zo grijzig en levenloos om me heen. Een soort herfst, maar dan van ons land…

 

Wim Sonneveld

Tekst: Friso Wiegersma

 

Thuis heb ik nog een ansichtkaart

Waarop een kerk een kar met paard

Een slagerij J. van der Ven

Een kroeg, een juffrouw op de fiets

Het zegt u hoogstwaarschijnlijk niets

Maar het is waar ik geboren ben

Dit dorp, ik weet nog hoe het was

De boerenkind'ren in de klas

Een kar die ratelt op de keien

Het raadhuis met een pomp ervoor

Een zandweg tussen koren door

Het vee, de boerderijen

 

En langs het tuinpad van m'n vader

Zag ik de hoge bomen staan

Ik was een kind en wist niet beter

Dan dat 't nooit voorbij zou gaan

 

Wat leefden ze eenvoudig toen

In simp'le huizen tussen groen

Met boerenbloemen en een heg

Maar blijkbaar leefden ze verkeerd

Het dorp is gemoderniseerd

En nou zijn ze op de goeie weg

Want ziet, hoe rijk het leven is

Ze zien de televisiequiz

En wonen in betonnen dozen

Met flink veel glas, dan kun je zien

Hoe of het bankstel staat bij Mien

En d'r dressoir met plastic rozen

 

En langs het tuinpad van m'n vader

Zag ik de hoge bomen staan

Ik was een kind en wist niet beter

Dan dat 't nooit voorbij zou gaan

 

De dorpsjeugd klit wat bij elkaar

In minirok en beatle-haar

En joelt wat mee met beat-muziek

Ik weet wel het is hun goeie recht

De nieuwe tijd, net wat u zegt

Maar het maakt me wat melancholiek

Ik heb hun vaders nog gekend

Ze kochten zoethout voor een cent

Ik zag hun moeders touwtjespringen

Dat dorp van toen, het is voorbij

Dit is al wat er bleef voor mij

Een ansicht en herinneringen

 

Toen ik langs het tuinpad van m'n vader,

de hoge bomen nog zag staan.

Ik was een kind, hoe kon ik weten

Dat dat voorgoed voorbij zou gaan

 

 

Waar Moet Dat Heen
Barend Servet, 1973

 

Waar eens de boterbloemen bloeiden
Staat nu een maf paleis
Waar al die leuke plantjes groeiden
Zijn nu stenen doods en grijs

Och zal de mensheid ooit eens leren
Te leven zonder bruut geweld
Zullen wij dan ooit waarderen
Wat onze Schepper heeft besteld

Waar moet dat heen, hoe zal dat gaan
Waar komt die rotzooi toch vandaan
Wat moeten wij met ons bestaan
De wereld is nog niet vergaan

Waar eens mooie gebouwen stonden
Is nu een grote troep
Waar ooit het geld werd uitgevonden
Trap ik nu in de poep

Och zal de mensheid ooit eens leren
Te leven zonder bruut geweld
Zullen we dan ooit waarderen
Wat onze Schepper heeft besteld

Waar moet dat heen, hoe zal dat gaan
Waar komt die rotzooi toch vandaan
Wat moeten wij met ons bestaan
De wereld is nog niet vergaan

Waar moet dat heen, hoe zal dat gaan
Waar komt die rotzooi toch vandaan
Wat moeten wij met ons bestaan
De wereld is nog niet vergaan

Waar moet dat heen, hoe zal dat gaan
Waar komt die rotzooi toch vandaan
Wat moeten wij met ons bestaan
De wereld is nog niet vergaan