Hans Langbroek, raadslid voor Het Enkhuizer Alternatief

   

In een tijd van universeel bedrog is het spreken van de waarheid een revolutionaire daad (George Orwell)

De Dronk

(1 oktober 2012)

 

Héél soms heb ik een kwade dronk bij alcoholgebruik. Dat gebeurt niet vaak, ik drink vrij zelden alcohol, maar wel af en toe.

Mijn kwade dronk houdt gelukkig niet in dat ik mijn medemensen op hun gezicht wil stompen. De aard van mijn kwade dronk is dat ik ineens vind dat ik helemaal niemand op deze wereld nodig heb, dat iedereen het heen en weer kan krijgen, dat ik naar huis wil gaan, en dat dan ook doe. Dan sta ik op, ongeacht waar of bij wie ik ben, zeg “Doei, ik ga” en loop weg naar huis.

Mijn vrienden weten intussen wel dat ik soms zo ben, en vinden dat heel gewoon. Ieder mens z’n eigen gekte, zo zit dat.

 

Een jaar of tien terug ging ik heel vaak stappen en leuke dingen doen met maatje José. Vaak in Amsterdam, en soms ook in Enkhuizen of elders. Meestal bleven we dan bij elkaar logeren, mooi nog uren nateuten.

Op één dezer weekenden in Amsterdam besloot ik ook eens dat ik niemand op deze planeet nodig had, naar huis wilde, en ik stapte op om naar huis te gaan. José zei nog: “Dan gaan we toch”, maar mijn naar huis gaan was met de trein naar Enkhuizen. Naar HUIS dus.

Het werd een nachtelijke wandeling naar het Centraal Station om met de trein naar huis te gaan, in een na-het-stappen-tijd in de nacht van donderdag op vrijdag.

Dat was dan uiteraard pech, ’s nachts reden er vanzelfsprekend geen treinen. Gelukkig was in die tijd het Centraal Station nog nachtelijk geopend. Daardoor kon ik dus onder een dak verblijven in plaats van koud in de open lucht.

 

In het Centraal waren nog meer mensen aanwezig. Ik herinner me nog een rastaman die met doelbewuste blik en stevige tred door het station liep en liep en liep, nergens heen. Ook een aantal slapers, lopers, rokers, drinkers, zwervers die daar vertoefden. Mensen die mij als duidelijke outsider zijnde met steelse blikken bekeken, en hun blik afwendden als ik terug keek.

Langzaam ontnuchterend, en enige onwillige spijt ontwikkelend over m’n weerbarstige besluit naar huis te gaan, besloot ik ook maar te gaan pitten. Tegen een muur, vlak bij een aantal andere mensen van wat mijn allooi op dat moment was, die daar ook zaten.

 

Op een gegeven moment werd ik wakker door een hand die in mijn zakken voelde. In die zakken zaten mijn geld, en toentertijd ook nog mijn pakje Drumshag. Boven me zag ik een groot zwart hoofd met grijsdonker haar, en ik zei: “Flikker op klootzak!” De man kneep z’n vuist samen, en toen gaf ik hem maar een klap. Daarop vertrok de heer, verontwaardigd mopperend over de klap.

 

Ik zag dat de kiosken open waren, en kocht een grote megabeker koffie. Met die emmer koffie stapte ik in de eerste trein richting Enkhuizen. Het was een behaaglijke rit.

Met zo’n grote beker koffie, in een warme trein, wetend dat ik weer richting huis ging en straks kon gaan douchen of slapen, en me realiserend dat de weerbarstigheid geen onherstelbare zaken veroorzaakt had. Het geluksgevoel dat ik in die trein had destijds, door die beker koffie en de mogelijkheid om naar een eigen woonplek te kunnen gaan, herinner ik me nog letterlijk.

 

In Enkhuizen kwam ik mensen tegen die “Dag Hans” zeiden, en met hun oogbollen richting m’n kleding keken. Logisch, dat zat vol grondvuil van het station.

Thuis ging ik niet douchen, maar een paar uurtjes slapen. Het was After Kwade Dronk, ik was thuis, en ik voelde me gelukkig.