Hans Langbroek,raadslid voor Het Enkhuizer Alternatief

   

In een tijd van universeel bedrog is het spreken van de waarheid een revolutionaire daad (George Orwell)

Al reizende voort

(11 oktober 2009)

 

Heel vroeger, ik denk zon 30 jaar terug, heb ik eens het volgende verhaal gelezen. Zoals ik het ongeveer onthouden heb zal ik het neerpennen, het is een rijk verhaal.

 

Een jonge krijger/jager vroeg eens aan de sjamaan van het dorp hoe hij een ervaren krijger en jager zou kunnen worden. Hij leefde namelijk in een welvarend en vreedzaam tijdperk. De bergen en bossen leverden ruimschoots genoeg voedsel om er geen moeilijke jagerstechnieken tijdens de jacht op na te moeten houden, en er werd geen oorlog gevoerd met andere stammen.

De jonge krijger/jager was dus bezorgd om hoe hij een ervaren krijger/jager zou moeten worden.

 

De sjamaan van het dorp vertelde hem dat hij zijn boog om moest hangen, zijn amuletten om moest hangen, voedselvoorraad moest gaan inpakken, en op zoek gaan naar de geest in het woud die hem door onderricht ervaring in jacht en krijg zou geven. De jonge krijger/jager vroeg daarop: Mijn sjamaan, maar waar moet ik dan zoeken in het woud? Het woud is zo groot, er zijn zoveel bomen, achter welke boom moet ik zoeken? Op welke berg moet ik zoeken? De oude wijze sjamaan antwoordde de jonge krijger/jager het volgende: De geest van het onderricht zal je vinden zoon. Waar jij ook heen loopt, waar jij ook zoekt, en welke weg jij ook denkt te moeten gaan lopen, de geest van onderricht in jacht en krijg zal je vinden en onderrichten. Wees niet bang tijdens het onderricht, wt je ook moge meemaken en ervaren.

 

De jonge krijger/jager pakte daarop zijn boog en pijlen, hing zijn amuletten om, pakte voedselvoorraad in, en ging op pad het woud in. Omdat hij niet helemaal vertrouwde op het woord van de oude sjamaan, keek hij om de geest van het onderricht te vinden achter elke boom, op elke berg, in elk hol en onder iedere steen die hij tegenkwam. Nergens zag hij de geest. Slechts dieren, bomen en bergen zag hij.

Op zeker moment, nadat de jonge krijger/jager al veel gezocht en weinig gevonden had, besloot hij vermoeid bij een helder riviertje zijn dorst te lessen en te gaan slapen. De volgende ochtend keek hij naar het riviertje, en besefte hij dat hij nog niet op en in het water gezocht had. Hij bouwde een vlot, en voer de rivier op. Dagenlang voer hij verder en verder, tegen de stroom in omdat hij vermoedde dat bij de oorsprong van de rivier het geheim van de geest van het onderricht zou liggen.

Tegen de stroom ingaan is met een onvolkomen vlot zwaar werk, en de jonge krijger/jager besloot op zeker moment dan ook vermoeid even in het water te gaan hangen. Het voelde goed en schoon, het hangen in het water terwijl hij het vlot vasthield. De vermoeidheid gleed weg, en de kracht stroomde terug.

 

Plotseling werd hij onder water gegrepen en door een enorme kracht meegesleurd. Door water, door bossen, over bergen en langs harde rotsen werd zijn lichaam door een grote onweerstaanbare kracht meegevoerd. Geen enkele gelegenheid was er om terug te vechten, de kracht was onzichtbaar en overal aanwezig.

Op zeker moment stopte de ruwe reis. Onzichtbare krachten trokken daaropvolgend bij de jonge krijger/jager het vlees van zijn botten. Zijn armen, benen, rug, buik en hoofd: alles werd van huid en spieren ontdaan. Er was geen genade.

Daarna trokken de onzichtbare en onweerstaanbaar sterke krachten hem de ogen uit de oogkassen, de organen uit het lichaam, de tong uit de mond. De pijn was onhoudbaar.

De jonge krijger/jager begreep dat dit deel uitmaakte van het onderricht waarover de wijze sjamaan gesproken had, en onderging de helse pijnen en het grote lijden met dappere moed. Vechten was niet meer mogelijk, de jonge krijger/jager was door de onzichtbare krachten totaal uit elkander gerukt. Hij stierf. De krachten gooiden de resten van de gestorven jonge krijger/jager daarna in de rivier, waar de vissen en ander rivierleven ervoor zorgden dat de jonge krijger/jager volledig van de aardbodem verdween.

 

Na ongemeten tijd, het konden dagen maar ook jaren zijn, besloten de onzichtbare en onweerstaanbaar sterke krachten de jonge krijger weer te laten bestaan. Ze namen zijn geest en zetten er botten op. In de botten plaatsten zij organen, ogen en een tong. Om de organen en botten plaatsten zij spieren en een huid. Ziedaar, de jonge krijger/jager bestond weer en was bestaande uit een deel van de aarde!

Waar de jonge krijger/jager eerst los was geweest van zijn omgeving, gezocht had naar de geest van ervaring in die omgeving, was de jonge krijger/jager nu deel geworden van zijn omgeving. Hij begreep zijn omgeving, en zijn omgeving begreep hem. De bossen, bergen, dieren, rivieren, vissen en de jonge krijger/jager waren n geworden. De omgeving was de jonge krijger/jager geworden, de jonge krijger/jager was de omgeving geworden. De jonge krijger/jager was een ervaren krijger/jager geworden, de geest van het onderricht had de krijger/jager de gave der ervaring geschonken.

 

Nu ving de reis huiswaarts weer aan. Op een dag, na een lange reis die kort duurde, kwam de nu ervaren krijger/jager terug in zijn dorp. De oude en wijze sjamaan zag hem komen. Hij keurde de nu ervaren krijger/jager in zijn wijsheid nauwelijks een blik waardig, groette kort, en liet hem respectvol zijn die hij was.

De nu ervaren krijger/jager nam zich een vrouw, schonk de wereld samen met haar prachtige kinderen, en leefde een lang leven in harmonie met bos, bergen, dieren, vissen, en rivier. Zijn kinderen leerden veel van hem, en hij wees hen de mogelijke weg naar ervaring en onderricht opdat zij ooit ervaren krijger/jagers zouden worden.