Hans Langbroek, raadslid voor Het Enkhuizer Alternatief

   

In een tijd van universeel bedrog is het spreken van de waarheid een revolutionaire daad (George Orwell)

Achterover V

(21 december 2009)

 

Met verende tred en soepele stap bewoog ik mij als een jonge god door het leven! De depressie van een echtscheiding verlaten hebbende was ik in de zoete bekoring gekomen van een schone jonge deerne, die ook nog eens mij als man der mannen zag!

Met elke stap die ik zette bewoog ik mij even met mijn hoofd door de wolken, en deed een greep naar eeuwigheid en onsterflijkheid. De wereld was mijn, het leven één groot wederzijds verliefd feest!

Leeftijd speelde geen rol, het ging om zijn en bestaan.

 

Op een mooie dag in januari voelde ik in een in die fase van mijn leven druk bezette lichaamsregio een ondefinieerbare zeurende pijn. De hypochondrie die mij eigen is blies die zeurende ondefinieerbare pijn op tot proporties van planetaire omvang, en nam zelfs mijn nieuw verworven liefde mee op de reis van overmatige ongerustheid.

Ze was zuinig op haar oudje!

 

Rap een afspraak gemaakt met huisarts dokter Miedema om het angstig vermoede defect te laten diagnosticeren. De dokter bekeek de druk gebruikte lichaamsregio, keek mij aan, en zei: “Dat is een liesbreuk.” Omdat de dokter mij kende in mijn eigenaardige hypochondrische uitingen, begon hij reeds sardonisch te glimlachen na het doen van die mededeling.

Eigenlijk had ik geen idee was een liesbreuk was. Maar het woord “breuk”, het woord “lies”, de lichaamsregio waarin zich die “breuk” bevond en de associatie van dat woord met zeer oud zijn bezorgde me stand péde een bloeddruk als een vulkaan!

Visioenen hebbend van uitgerangeerde lichaamsregio’s, vroeg ik stotterend aan de dokter: “Maar… maar…. Dat is toch iets van oude mannen?!” Vals en volkomen wetend olijk grijnzend zei hij dat dit niet zo was, maar dat het ook kon komen door zwaar werk gedaan te hebben.

 

De volgende stap was het West-Fries Gasthuis. Daar werd ik op onaangenaam fysieke wijze door een vrouwelijke arts onderzocht in de druk bezette pijnlijk aangedane lichaamsregio. Na een onderzoekje waarvan ik niet had kunnen dromen dat zoiets gedaan kon worden zei ze dat het een binnenbreuk was, wat me net zo onduidelijk was als een eventueel gemelde buitenbreuk. Breuk is breuk, de locatie was verontrustend.

Maar het moest geopereerd worden zei ze. De wachttijd was ruim een maand. Een maand is best lang, zéker als je behept bent met een ongebreidelde fantasie in combinatie met een eigenaardige hypochondrie. Vele levens zijn in die maand aan mijn geest voorbij geschoten, vele afscheiden heb ik genomen.

 

Op het uur U, na een maand wachttijd, ging het gebeuren. Ik had mezelf weer volledig onder controle. De gewone macho houding was weer als een jas om me heen gedrapeerd, en onverveerd lag ik op het bed met wieltjes dat naar de OK gereden werd. Voor operaties an sich ben ik nooit bang geweest namelijk.

Na het “Gaat u maar tellen” werd ik wakker in de uitslaapkamer. Of liever, terwijl ik van de OK naar de uitslaapkamer gereden werd. Om mij heen lagen allemaal uitslapende geopereerde mensen, ik was de enige die klaarwakker was. Zelfs met een lichaam dat zojuist opengesneden was en dat nog onder narcosechemicaliën zat kon ik het in overtrokken machogevoel niet laten te zeggen: “Ha, ik ben de enige échte kerel hier! De rest ligt voor apegapen! Watjes!” Wat mij uiteraard op een terecht “Nou nou meneer Langbroek, zo kan het wel weer hoor” te staan kwam.

 

In die tijden rookte ik nog. Op de ziekenzaal kreeg ik na twee uur doelloos op een bed liggen trek in een peuk. Mijn vijf medegeopereerde heren aan dezelfde kwaal ook, we rookten allemaal.

Euforisch door het nog enigszins werkende narcosemateriaal in mijn zenuwstelsel besloot ik dat ik mijzelf probleemloos kon gaan aankleden en beneden gaan roken. In die tijden mocht dat in aankomsthallen van ziekenhuizen nog gewoon. Absurd als ik daar nu bij nadenk….

Maar trok ik mijn spijkerbroek en een t-shirtje aan, een paar kisten aan de voeten, en toog op weg naar de benedenhal. Onderweg riep ik naar mijn medepatiënten en richting de verpleegsters die protesterend meneer Langbroek probeerden tegen te houden: “De jonge god gaat roken! De jonge god doet wat de jonge god wil!”

Beneden aangekomen draaide ik een sjekkie en ging op een achteroverleunstoel zitten roken. Met twee vrouwelijke patiënten tegenover me die hetzelfde deden als ik begon ik gezellig over koetjes en kalfjes te kouten.

 

Ineens bemerkte ik dat er een draaiende golfbeweging door de aankomsthal van het ziekenhuis trok. Ik keek ernaar, en realiseerde me dat aankomsthallen niet draaiend golven. Terwijl ik koud begon te zweten snelde ik naar de lift, zag daar een vrij klapstoeltje aan de muur van de lift, deed mijn ogen open en keek recht in het gezicht van een dokter die aan me vroeg: “Meneer, wat doet u hier op de grond? Wat is er gebeurd? Waar moet u heen?”

Tja, dan lig je dus als watje knock out op de vloer van een lift…..

 

De dokter regelde een brancard, en ik werd krijtwit op mijn rug liggend met die brancard de ziekenzaal weer ingereden. In koor riepen zusters en medepatiënten: “Dáááár is de jonge god weer! Hij doet wattie wil!” Het gelach was uiteraard niet van de lucht, en de jonge god was terug in z’n normale doen van bijna oude krakende knar. Hij stond vanaf dat moment weer met twee benen op de stevige aardse grond ipv met het hoofd in de wolkenillusie.