Hans Langbroek, raadslid voor Het Enkhuizer Alternatief

   

In een tijd van universeel bedrog is het spreken van de waarheid een revolutionaire daad (George Orwell)

Achterover IV

(25 november 2009)

 

Vijf jaar oud was ik, en hij was een paar dagen terug ook vijf geworden. In de klas had hij iets getrakteerd dat ik nog nooit eerder gezien en geproefd had, maar dat heel lekker was.

Hij vroeg aan me: “Wil je uit school mijn racebaan zien? Die heb ik voor mijn verjaardag gehad!” Nu wist ik niet precies wat een racebaan was, maar wel dat het een heel duur iets was. Dermate duur dat zoiets in de vriendjesomgeving waarin ik leefde niet eens gewenst werd als verjaardagscadeau, laat staan gekocht door ouders.

 

Ik wist ook dat hij over de brug woonde, niet in Oud-IJmuiden. Over de brug was een andere wereld. Over de brug woonden mijn opa en oma, en mijn andere opa en oma. De opa en oma waar aan de muren allemaal schildpadden hingen, en krissen, schilderijen van gebukte mensen, en bij wie alles in huis uit Nederlands-Indië en Nieuw-Guinea kwam. Daar hadden ze gewoond. Bij hen thuis hoorde ik altijd gespreksklanken als Java, Manokwari, Celebes, Djakarta, Papoea’s, baboe, toean, Soekarno en dat soort dingen. Daar leerde ik kopalla babbi en kontol babbi zeggen, en poeki ajam.

De andere opa en oma hadden een auto. Oma zei altijd: “Hanschjen, kohm mal baai Oohma. Whil je een snoepje vhan Oohma?” Daar bij hen werd ik volgestopt met chocopasta, potten jam, repen chocolade, en andere dingen die wij thuis niet hadden.

 

Over de brug was de wereld waar mensen auto’s hadden, waar mannen een stropdas droegen, waar vrouwen op straat nooit pantoffels droegen, en waar het politiebureau was.

 

Maar ondanks het wantrouwen jegens het jongetje waar ik nooit mee omging en nooit mee praatte, het jongetje dat nooit enige aandacht aan mij geschonken had, ging ik mee om te kijken wat nu precies een racebaan was.

Bij zijn huis aangekomen deed hij de voordeur open. Hij had een sleutel van de deur! Sleutels werden door mij met volwassen mensen geassocieerd; met mijn ouders en met mijn opa’s en oma’s. Maar hij had een sleutel, en hij wist hoe die sleutel werkte. Hij steeg mateloos in mijn achting, hij had een sleutel…..

Binnengekomen zei hij zacht: “Sssst, geen lawaai maken. Mijn moeder slaapt altijd als ik uit school kom.” Verbaasd vroeg ik: “Wanneer komt ze dan uit bed?” “Als mijn vader thuis komt, dan komt mijn moeder uit bed.” Daar was ik verbaasd over, mijn moeder was gewoon beneden als ik uit school kwam.

 

In de enorm grote huiskamer waarin grote donkere houten kasten en meubels stonden, lag op een open plek een racebaan. Ik herkende het uit de speelgoedwinkel, het kwartje viel. Op die racebaan stonden naast elkaar twee autootjes.

“Wil je zien hoe hard die race-auto’s gaan?” vroeg hij.

“Ja” zei ik.

“Dan moet je hier gaan zitten. Je mag niet aan mijn racebaan komen, niemand mag aan mijn racebaan komen.”

Hij zette me op mijn knieën op de zitting van een groene fluwelen stoel die naast de racebaan stond, met mijn armen leunend op de hoge rugleuning.

“Kom maar iets omhoog, anders zie je het niet goed!”

Ik kwam een ietsje omhoog, en de stoel begon langzaam met de rugleuning richting de racebaan te vallen. Snel ging ik naar achteren om de stoel tegen te houden en probeerde me om te draaien in de stoel voor het evenwicht. Maar het was te laat, de stoel viel met de donkere houten rand van de leuning bovenop de racebaan. Ik lag op mijn rug op die rugleuning, met mijn knieën over de rand van de stoelzitting. Het plafond met versierselen en beeldjes aan de rand bij de muren etste zich binnen een fractie van een seconde in mijn visuele geheugen.

Snel stond ik op, en tilde de stoel van de racebaan af. De houten rand van de leuning was bovenop de twee race-autootjes gevallen. De autootjes, in die tijd nog van blik en niet van plastic, waren afschuwelijk plat. Afschuwelijk, heel erg, werkelijk onmenselijk plat.

 

We keken elkaar aan, in stille verbijstering. Het jongetje begon te krijsen en te gillen. “Dat heb je expres gedaan! Mijn vader zei dat ik de racebaan aan niemand zoals jullie mocht laten zien omdat jullie jaloers zijn op die racebaan! Jullie maken de racebaan stuk als je ermee speelt, omdat jullie jaloers zijn! Je hebt hem expres kapot gemaakt! Mijn vader gaat jou helemaal dood slaan, hij gaat je helemaal dood maken! Jou, en je vader en je moeder ook!”

Ik probeerde te zeggen dat het per ongeluk was gegaan, dat de stoel omviel toen ik iets omhoog moest gaan zitten om het goed te kunnen zien, maar hij gilde en krijste maar door en luisterde niet naar me.

 

Plotseling klonk er een stem van boven, een vrouwenstem: “Wat is er aan de hand?! Waarom word ik wakker geschreeuwd? Waarom ben je niet stil, je weet toch dat ik slaap?!”

“Mama, hij heeft mijn racebaan expres kapot gemaakt, de autootjes zijn helemaal plat! Hij ging er expres bovenop staan, hij heeft ze helemaal platgetrapt!”

Verbijsterd hoorde ik dat aan, hij zei gewoon iets dat niet zo was. Z’n moeder riep dat ze er zo aankwam, en dat ze héél boos was. Ik besloot mezelf niet door een volwassene dood te laten slaan in dat grote donkere huis, trok mijn jas aan en vertrok naar huis.

Thuis had ik het er niet over, het was al naar de achtergrond van het beleven verplaatst bij het binnenstappen van mijn eigen wereld aan de andere kant van de brug. De kant van buurvrouw tante Nel, buurvrouw tante Wies, van Kokki, van Keesie, van Henkie, van Petri, van Marjan en lieveheersbeestjes op de duinrozenstruiken. De kant van spelen en interessante leuke dingen ontdekken.

 

Maar op een gegeven moment stond er een man voor de deur, een beetje kalende man. De man sprak met mijn ouders. De man zei tegen mij: “Waarom heb je dat gedaan?” Ik mompelde dat het per ongeluk gegaan was, dat de stoel omgevallen was. “Niet jokken” zei hij: “Je hebt die autootjes kapot getrapt, je moet wel eerlijk zijn. Iedereen heeft het gezien.”

Ik wist niets te zeggen, het was voor mij op die leeftijd niet te bevatten dat een vader iets zei dat gewoonweg niet waar was. Als kind kon ik geen antwoord vinden. Het enige dat ik hoopte was dat mijn vader hem tegen zou houden als hij mij dood ging slaan.

 

Maar de man vertrok, iedereen ging naar binnen, en ik ging naar de vissen in mijn vaders aquarium kijken. Het was een mooi en heel interessant aquarium. Er zwommen zebravisjes in, en guppies, en black mollies, en maanvissen, en neon tetra’s, en kardinaaltjes. De racebaan werd niet genoemd, en niet benoemd. De racebaan bestond niet meer.