Hans Langbroek, raadslid voor Het Enkhuizer Alternatief

   

In een tijd van universeel bedrog is het spreken van de waarheid een revolutionaire daad (George Orwell)

Achterover III

(24 november 2009)

 

Blazend en briesend liep ik over de gesloten Enkhuizer kermis langs monstrueuze duistere verstilde attracties. In mijn 17-jarigenlichaam gierden de adrenaline, testosteron en cortisol waanzinnig en frustrerend rond, gekwadrateerd in hun werking door overmatigheden aan alcohol. Zoals altijd was ik in oorlog met de wereld, en in oorlog met mezelf.

 

Ruzie zoekend en ruzie kijkend schold ik iemand verrot, ruzie zoekend en ruzie kijkend in totale idiotie denderde ik onheil tegen het meisje dat naast me liep. Met haar had ik een primitieve vorm van relatie, als in die fase van mijn leven iemand zijnde die absoluut onmachtig was iets dat op relaties leek te kunnen onderhouden.

Een manspersoon van een jaar of 10 of 12 ouder dan ik zei tegen me: “Moet je tegen mij zeggen!” Op het moment dat hij dat zei haalde ik direct uit, in agressieve en ongecontroleerde gekte.

De overmatigheid aan alcohol zorgde dat mijn ongerichte pubervuist zo’n 30 cm naast z’n hoofd eindigde. Zijn tegelijkertijd ingezette klap naar mijn hoofd was snel, strak, zuiver en raak. Precies op mijn rechter onderlip tegen m’n hoektand aan. In het optredende vertraagde tijdsbesef voelde ik de stukken binnenlip door mijn mond spetten, het bloed rondspuiten, en zag ik de gevel van café Het Swarte Schaep langzaam naar beneden wegdraaien en plaats maken voor de heldere sterrenhemel. Het besef dat ik moest opletten waar m’n brilletje heenviel en of de man verder zou gaan hield me bezig tijdens de draaiïng richting aarde.

De kerel ging niet verder.

 

Op m’n rug liggend voelde ik stukken binnenlip en bloed in mijn mond. Het voelde vreemd genoeg goed. Ik zette mijn brilletje recht, en keek naar de heldere sterren aan de hemel. Altijd keek ik naar de sterren aan de hemel, sterren aan de hemel zijn geweldig. Dat vind ik nu, en dat vond ik vroeger al. Het idee dat die sterren allemaal ziedende zonnen zijn, sommigen miljoenen maal zo groot als onze zon, maakt dat die sterren voor mij mijn vrienden zijn.

Sterren kijken naar je, maar ze komen niet naar je toe en gaan niet van je weg. Ze zijn er gewoon, zonder oordeel of gedachte. Daarom zijn sterren vrienden.

 

Twee meisjes liepen langs. “Hans, wat is er gebeurd! Waarom lig je daar?!” “Omdat ik ruzie gemaakt heb, en iemand heeft van me gewonnen. Nu kijk ik naar mijn goede vrienden.”

Me verkeerd begrijpend vroeg ze aardig of ik soms wat wilde drinken, en ik antwoordde nee. Daarop kwam ze enkele minuten later met een glas bier uit het Swarte Schaep vandaan naar buiten, en zette dat glas bier naast mijn rechteroor op straat.

“Hans, wij zijn in de Stadsherberg. Kom je zo ook? Drink je zo wat? Wel doen hoor!” “Ja hoor” loog ik, de absurditeit van deze situatie inziend.

 

Na enige tijd stond ik op, en liep het Swarte Schaep binnen. Marcel van het Schaep zei tegen me: “Ben je weer bezig?! Je hebt zoveel potentie, veel meer dan de meesten hier! Doe er eens wat mee, je bouwt alles voor je neus op en breekt het achter je weer net zo hard af!”

In nog suffige sterrentoestand begreep ik niet wat hij zei. Ik draaide een shaggie, likte dat vast met een rode streep, en stak hem op.

Marcel zette een glas bier voor mijn neus, en zei dat ik na dat biertje naar huis moest gaan omdat het genoeg geweest was. Ik keek hem aan, zei “Okee”, draaide me om en ging naar huis.

Goed raad is duur, dus er niets mee doen is kapitaalvernietiging.