Hans Langbroek,raadslid voor Het Enkhuizer Alternatief

   

In een tijd van universeel bedrog is het spreken van de waarheid een revolutionaire daad (George Orwell)

Achterover II

(21 november 2009)

 

Snorrend reed mijn brommertje me door het voorjaarse, tot leven komende ruilverkavelingslandschap over polderweg de Rikkert. Landbouwgroen omgaf me, een warm uitziend zonlicht bescheen alles om me heen. Heel mooi, heel genoeglijk.

Ik had tentamens gedaan, had bij mezelf het idee dat ze geweldig gegaan waren, en voelde me blij.

 

Voor mijn ogen zag ik het gebeuren: de losgeschoten remkabel van het voorwiel schoot tussen de spaken. Op het moment dat het wiel daardoor abrupt blokkeerde en ik gelanceerd werd, vertraagde mijn tijdsbeleving. Zoals heel vaak gebeurt in dat soort noodsituaties.

Tijdens de vlucht door de lucht kon ik van alles bedenken en uitvoeren. O.a. besefte ik dat de om mijn nek hangende schooltas die nek zou breken bij het neerkomen. Ik draaide me in een positie die zou voorkomen dat ik gehandicapt zou worden bij de harde landing straks. Ook zorgde ik ervoor dat ik de val zou kunnen breken, zoals vroeger geleerd op judo.

 

De landing was hard, en ik voelde iets knappen bij mijn linkerschouder door de zware schooltas. Eerst keek ik waar het brommertje zich bevond. Die lag verkreukeld twee meter verderop, de motor liep nog. Ik kroop erheen en zette hem uit.

Daarna bekeek ik mijn linkerschouder. Daar zat een grote deuk in, en de punt van een gebroken botje stak door de huid naar buiten. Het deed pijn, en het zag er slecht uit. Ik begreep dat ik om verdere schade te voorkomen de zaak moest fixeren, en mezelf dus minimaal moest gaan bewegen. Dat was in een leeg polderlandschap, in een nog mobieltjesloos tijdperk, een schrikbarende gedachte. Tenslotte zou ik ergens vandaan hulp moeten organiseren. Hier in de berm rechtop blijven zitten en niet bewegen zette geen zoden aan de dijk.

 

Er reed een Mercedes langs. Ik stak al zittende mijn rechterarm omhoog om hem aan te houden, maar de bestuurder zwaaide en reed door. Nog een Mercedes reed langs, de bestuurder daarvan reageerde helemaal niet bij mn poging hem stil te houden.

Een derde auto stopte wel. De chauffeur vroeg wat er aan de hand was. Ik vertelde hem wat er gebeurd was, en wat de toestand op dat moment behelste. Hij zei: h, ja denk?! Den magge je de dokter wel belle gain, ut klinkt allegaar niet best! Daarop draaide hij zn raampje dicht en reed verder, mij verbaasd achterlatend.

 

Het begon nu echt pijn te doen. Het groene landschap om me heen werd wit, de blauwe lucht werd wit, de zwarte klei werd wit. Het drong daardoor tot me door dat ik van mijn graat dreigde te gaan. Ik ging achterover op mijn rug liggen, en keek naar de wit geworden lucht. Naast mijn oor zoemden insecten. In een verhoogd nood- en pijnbewustzijn hoorde ik ze per stuk zoemen en bewegen. Plantjes ritselden, vogels krijsten, en twee tractoren verderop ratelden. Ik droomde dat ik op school was.

Nog twee autos kwamen langs, namen gas terug toen ze me naderden, doch reden door.

 

Dag Hans, wat is er gebeurd? Een 13-jarig meisje dat ik kende, Marjan de Haas, was fietsend uit school bij me aanbeland. Ik vertelde wat er gebeurd was, wat er aan de hand was, en dat f een dokter f mijn ouders gewaarschuwd moesten worden.

Ze zei dat ze ging bellen, en fietste naar haar nabijgelegen huis. Ze kwam terug om te vertellen dat mijn moeder straks langs zou komen, en vroeg of het wel ging. Ja hoor, loog ik. We zijn geen watjes!

 

Na een minuut of tien arriveerde mijn moeder met de auto. Ze was pissig, en zei terecht dat ik die brommer beter had moeten nakijken. Dat bevestigde ik, en stapte achterin de auto. We reden naar het ziekenhuis in Enkhuizen. Daar vroeg men om een verklaring van de huisarts. Die hadden we niet, de huisarts had tegen mn moeder gezegd dat hij het te druk had.

Daarop reden we naar Hoorn, en gingen naar de eerste hulp. Omdat er nogal wat mensen zaten te wachten, duurde het anderhalf uur voordat ik geholpen werd. Het bot dat naar buiten stak deed nu gruwelijk zeer.

In de anderhalf uur wachttijd vroeg ik driemaal aan langslopend personeel of ik geholpen kon worden omdat er bot naar buiten stak, maar men meldde mij dat ik op mijn beurt moest wachten. Logisch, had ik m'n remkabel maar beter moeten nakijken.

 

Op zeker moment mocht ik bij een arts naar binnen. Die keek, vroeg hoelang dit al zo was, hoorde het verhaal van de huisarts die geen tijd had, de Poli in Enkhuizen die me weggestuurd had omdat ik geen huisartsenverklaring had, het personeel hier dat me op mijn beurt liet wachten, en begon gruwelijk te vloeken. Wat zijn dat voor een gvdse idioten! Dit moet GVD direct behandeld worden, wt een idioten!

Ik werd gefixeerd met een soort witte worst, en kon me niet meer bewegen tot aan de operatie.

 

Wakker wordend uit narcose en operatie hoorde ik naast me een gesnik van jewelste. Het was Inge. Destijds hadden we al een relatie gehad als puberale jongelieden zijnde.

Ze snikte: Mijn mooie Hans, mijn lieve Hans! Wat is er gebeurd! Nog suffig van de narcose keek ik naar mn schouder. Daar zat een strakke blaar van zon 8 cm in diameter en 3 cm dikte, gevuld met rozig/transparant vocht. Er stak ook metaal uit die schouder, en het zag er allemaal raar maar tevens belangwekkend interessant uit.

Ik troostte Inge. Alles zou goed komen, er was niets aan de hand, het deed geen pijn. Men kent die troostingen wel. Het hielp, het gesnotter van Inge werd alras minder. Ze gaf me een zoen, en daarna ging ze naar school. Ze had een tussenuur vrij gehad.

 

Moe viel ik daarna achterover, die schouder voelde raar. Er viel een druif uit de lucht, bovenop mijn voorhoofd. Mn overbuurman, een jonge jongen, had aandacht nodig en vroeg dat via een groene druif.

 

Zo lag ik gevloerd in een ziekenhuisbed. Dat gebeurt wel eens.

De tentamens waren goed gegaan.