Hans Langbroek,raadslid voor Het Enkhuizer Alternatief

   

In een tijd van universeel bedrog is het spreken van de waarheid een revolutionaire daad (George Orwell)

Achterover I

(21 november 2009)

 

Dagelijks ga ik 7 uur 痴 ochtends de deur uit, en loop naar m地 werk op Schepenwijk. Op die tocht naar brood en beleg volg ik de route langs het naast de Provinciale Weg gelegen fietspad. Dat stukje fietspad is, zoals ingewijden weten, een stukje met magie begiftigd fietspad.

 

Sinds enige maanden fietst er dagelijks op hetzelfde tijdstip dat ik langs dat fietspad loop, een fietser langs. Die fietser is een heel klein, mager, blond jongetje met een enorme tas achterop z地 bagagedrager gebonden.

Daar het de laatste weken nogal eens fors waait langs het fietspad, moet dat jongetje vaak elke trap die hij doet bezwoegen en bevechten. Het vaderhart in me begroot het soms als ik dat zie.

Maar het bracht afgelopen week ook een herinnering uit m地 eigen jeugd naar boven.

 

Een gigantische herfststorm loeide en donderde langs raam en dak van het zolderkamertje waar ik sliep. Een bijna horizontaal bewegende slagregen knalde me wakker als een waar kogelinferno, nog geen meter van mijn hoofd af. De natuur op z地 angstwekkendst, lak hebbend aan alles wat mensen kunnen maken.

Ik werd wakker met pijn in m地 hele magere, 12-jarigenlijf. Mijn ogen deden pijn, mijn rug kon ik bijna niet bewegen, en er zat geen kracht in benen en armen. Het voelde beroerd. Het voelde z駝er beroerd bij het idee dat ik straks van m地 toentertijdse woonplaats Heerhugowaard naar m地 school Petrus Canisius College in Alkmaar zou moeten fietsen. Sedert enige maanden zat ik op die school, als trots van de familie zijnde. 滴ans gaat naar het atheneum in Alkmaar! De brugklas nog slechts, maar alla. Het was nog lang niet bekend hoe ik uiteindelijk werkelijk zou eindigen.

 

Heerhugowaard was destijds nog een dorpje van 6000 inwoners. De grote weg van het dorp was de Middenweg. Van mijn huis af diende ik naar de Middenweg te fietsen, en dan immer gerade aus het dorp uit. Door velden en weides naar Alkmaar, 鳬n grote open vlakte van koeien en tulpen.

Mijn moeder keek me vorsend aan en zei: 笛e moet je regenpak goed dichtbinden, anders word je ziek! Dat voelde ik me al, maar aangezien wij niet als watjes zijn opgevoed zei ik dat maar niet. Ze bond mijn regenpak stevig dicht, vooral de kapuchon rond mijn hoofd en keel. Ik voelde m地 luchtpijp naar binnen gedrukt worden, en de adem moeilijker gaan. Maar wij zijn geen watjes, jongens van Jan de Wit gaan gewoon door.

 

De loeiende zuidwester buiten, regenrotsen knallend als een gek, liet me elke trap op de fiets hard bevechten. De krachteloos voelende benen waren gedwongen door te gaan tussen langswaaiende takken en struiken door. De Middenweg, open en bloot, liet de waanzinnig lachende vijand van dat moment volledig vrij in het kapotblazen van dat gemartelde jongetje op die fiets. Het jongetje was de enige fietser op die lange weg.

Ik voelde de door het kapuchontouw ingedrukte luchtpijp tekort schieten, ademen ging niet in deze enorme krachttoer. Langzaam werd het zwaarder, en vlekken kwamen voor mijn ogen. Het touwtje liet ik zitten, wij zijn geen watjes!

Aan het eind van die Middenweg, bij de oversteekplaats van de toenmalige Westerweg, donderde ik om. Het was wegens luchtgebrek zwart voor m地 ogen geworden, en blijkbaar weigerde het geteisterde lichaam zonder zuurstof verdere arbeid. Staken is universeel.

 

Op mijn rug liggend in het hoge, natte gras, keek ik omhoog. De regen striemde op mijn gezicht, liep door en langs mijn ogen het gras in. Ik keek, zonder enige gedachte. Ik keek, en dat was wat ik deed.

 

Een bromfietser kwam langs. Een oudere man met een lange leren jas aan en een witte pothelm op zijn hoofd.

鏑eef je nog jongen?

笛a.

鏑ig je goed zo?

笛a hoor.

徹kee, hou je taai. Het regent hard en het stormt, ik snap niet dat je nog kan fietsen. Dag hoor!

泥ag.

De man gaf gas, stak de Westerweg over, en verdween.

 

Een auto stopte in de berm. Een vrouw stapte uit, en boog zich over me heen. Ze riep: 滴ij is niet dood, we gaan verder! Ze stapte weer in de auto, en de auto reed de Westerweg op naar waar de auto heen moest.

 

Ik lag in dat gras, en keek omhoog. De regen striemde op mijn gezicht, liep door en langs mijn ogen het gras in. Ik keek, zonder enige gedachte. Ik keek, en dat was wat ik deed.

 

Auto痴 reden langs, sommigen toeterden naar me. Bromfietsers, in die tijd nog grotendeels volwassen mannen, reden langs, keken me aan en reden verder.

De kern van wat de mensheid is kwam langs, openbaarde zich aan mij. Dat besefte ik daar, op twaalfjarige leeftijd reeds. Het grootste punt waar alles om draait, het grootste punt waar alles om gebeurt, liet zich in die bulderende herfststorm en slagregen aan mij zien.

Wat ik deed wat het kleinste besluit nemen dat op dat moment mogelijk was. Ik trok het touwtje van mijn kapuchon los, besloot om als ik 16 jaar werd brommer te gaan rijden en voor altijd een hekel aan fietsen te hebben. Dat besluit voer ik nog steeds uit. Alleen is de brommer een 1992 Golf II-type geworden. Deutsche Grndlichkeit!

Daarop fietste ik verder, elke trap bevechtend en bezwoegend, naar het Petrus Canisius College in Alkmaar. De trots van de familie.

 

Epiloog: Uit school gekomen bleek thuis 痴 middags dat ik ver over de 40ーC koorts had, en dikke vette griep had. Dat was de pijn overal in het lichaam, de krachteloosheid in armen en benen, en de pijn in de ogen.

Wij zijn g鳬n watjes!